Ga naar inhoud

De bolle en de Bataafse: hoe de ene zoetwatermossel onze rivieren voorproeft voor de ander

Door Tim Koorn
De bolle en de Bataafse: hoe de ene zoetwatermossel onze rivieren voorproeft voor de ander
De bolle stroommossel | Foto Lars Soerink/ARK Rewilding Nederland
Gepubliceerd:

Omdat de Nederlandse waterkwaliteit waarschijnlijk voldoende hersteld is voor de terugkeer van de hier uitgestorven Bataafse stroommossel, verkennen ARK Rewilding, Waardenburg Ecology en de Radboud Universiteit of herintroductie mogelijk is. ‘Geef je de Bataafse stroommossel weer een thuis, dan krijg je er waarschijnlijk een hoop andere voordelen bij cadeau.’

De Bataafse stroommossel (Unio crassus) komt al sinds de jaren ‘60 niet meer voor in Nederland, waarschijnlijk door een toentertijd te slechte waterkwaliteit en (mede daardoor) een gebrek aan vissoorten waarvan de mossel afhankelijk is voor zijn voortplanting. Dat de soort ook in Duitsland

Ykelien Damstra 180x180

Ykelien Damstraen België niet meer veel voorkomt, maakt de kans op een terugkeer op eigen kracht erg klein. “En dat is jammer, want zoetwatermosselen – en de Bataafse in het bijzonder – hebben een positief effect op de biodiversiteit en de waterkwaliteit”, vertelt Ykelien Damstra, ecologe bij ARK.

In 2021 hebben Waardenburg Ecology en de Radboud Universiteit daarom een haalbaarheidsstudie uitgevoerd, om te onderzoeken of de omstandigheden in theorie weer geschikt zijn voor herintroductie. Het antwoord daarop: ‘een volmondig ja’. “We weten vandaag de dag redelijk goed welke waterkwaliteit de soort nodig heeft: bijvoorbeeld welke ammonium- en nitraatgehalten hij aankan, of hoeveel zuurstof hij nodig heeft. Op basis van de haalbaarheidsstudie denken we dat de Bataafse het inmiddels op een aantal plekken weer goed zou kunnen doen in Nederland”, zegt Damstra.

Bolle stroommossel
En zo geschiedde dat onlangs de eerste praktijkproeven van start gingen. Nog niet met de hoofdrolspeler zelf, maar eerst met een neef: de bolle stroommossel (Unio tumidus), lid van dezelfde familie van Unionidae-mosselen. In een meestromende nevengeul van de Waal (ter hoogte van Afferden-Deest) en tussen de kribvakken in de IJssel (ter hoogte van Herxen) zijn onlangs kooitjes geplaatst met deze mosselen erin, als ‘voorproever’.

Waarom niet gelijk testen met de Bataafse? “Dat zou op zich wel kunnen, maar omdat de Bataafse een beschermde soort is mag je hem niet kweken, vervoeren of uitzetten zonder vergunning”, legt Damstra uit. “Met de bolle stroommossel gaat het weliswaar óók niet goed, maar dat is geen beschermde soort, dus gelden er minder restricties. Ook is het van belang dat we de door ARK en Waardenburg ontworpen kooitjes eerst testen met een generieke soort.”

De bolle stroommosselen zullen tot het najaar gemonitord worden om te onderzoeken of ze op de gekozen locaties overleven en groeien. Om te zorgen dat de mosselen teruggevonden kunnen worden, zijn ze (opgemeten en genummerd) uitgezet in metalen kooitjes die met een wokkel stevig in de waterbodem zijn gedraaid zodat ze niet worden meegevoerd door de stroming. 

Ykelien Damstra uitzetten bolle stroommossel in IJssel foto Jacob van der Weele

Ykelien Damstra bij het uitzetten van kooitjes met bolle stroommosselen in de IJssel | Foto Jacob van der Weele

eDNA-onderzoek
De hoop is dat als de bolle stroommossel in de kooitjes goed gedijt, dat ook weleens zou kunnen gelden voor de Bataafse. “Als dat inderdaad zo is, kunnen we gaan testen of de Bataafse hier weer kan aarden, en zouden we vervolgens kunnen opschalen”, zegt Damstra. 

Ondertussen loopt er ook onderzoek naar DNA-sporen (environmental DNA, eDNA). “We willen graag zeker weten of de Bataafse wel écht uitgestorven is. DNA-onderzoek is een relatief betaalbare en eenvoudige methode om daar achter te komen. In de Maas en zijbeken hebben we al eDNA-onderzoek gedaan en geconcludeerd dat de soort daar inderdaad niet meer voorkomt. Dat willen we ook in de Rijntakken gaan doen, en in Twente, waar hij oorspronkelijk ook voorkwam. Stel dat er ergens nog een relictpopulatie is, dan hebben we het niet over herintroductie maar over bijplaatsen. Dat zou heel mooi zijn. Dan zouden we met dieren uit Nederland verder kunnen kweken, niet meer afhankelijk zijn van het buitenland, en het zou het project qua vergunningen makkelijker maken.”

Scheepvaart
Damstra licht de keuze voor een nevengeul van de Waal en ontsteende kribvakken in de IJssel toe. “De Bataafse stroommossel gedijt goed in snelstromend water, maar voor de voortplanting begeeft hij zich naar ondiep water, waar hij zijn eitjes het water in spuit. De larven hechten zich vervolgens aan de kieuwen van nieuwsgierige vissen die op het waterstraaltje afkomen. Als er dan net een scheepsgolf aankomt, lukt deze strategie waarschijnlijk niet.”

De als gastheer optredende vis, op wiens kieuwen de mossellarven een paar weken parasiteren, kan bijvoorbeeld de kopvoorn, rivierdonderpad, serpeling, sneep of elrits zijn. “En deze ‘gastheren’ hebben op hun beurt óók plekken nodig waar ze kunnen paaien en opgroeien, oftewel waar het water wel stroomt maar geen onnatuurlijke dynamiek optreedt.”

Meergeulenconcept
“Daarom juichen we bij ARK het meergeulenconcept enorm toe”, zegt Damstra. Het meergeulenconcept, ontwikkeld door Bureau Stroming, het WNF en ARK, streeft naar het aanleggen van nevengeulen van minimaal 2 kilometer lang, zodat negatieve invloed van de scheepvaart op riviernatuur in het grootste deel afwezig is door de demping van golven. Ook worden deze meestromende nevengeulen zodanig aangelegd dat ze permanent watervoerend zijn.

“In Nederland hebben we nog niet – of beter gezegd, niet meer – genoeg nevengeulen waar weinig invloed van de scheepvaart is en die permanent genoeg water van de hoofdstroom krijgen. Dat is eigenlijk een habitat die nog vrijwel ontbreekt in Nederland. En met de aanleg van meestromende nevengeulen kan je heel veel doelstellingen tegelijkertijd realiseren: waterveiligheid verbeteren, rivierbodemdaling tegengaan, én zorgen voor ecologische vooruitgang van riviernatuur.”

Beken
Behalve rivieren zouden allerlei beken, waar überhaupt geen scheepvaart is, zich ook goed lenen voor herintroductie. “Daarom zouden we de Bataafse stroommossel ook graag willen uitzetten in beken zoals de Geul, de Roer of de Dinkel”, aldus Damstra. Hierover zijn de partijen momenteel in gesprek met een paar waterschappen.

Florerende populaties inheemse zoetwatermosselen zijn ook in het belang van waterbeheerders, besluit Damstra. Zowel voor biodiversiteitsherstel – wereldwijd behoren mosselen tot de soortgroepen die het meest achteruit zijn gegaan – als voor de waterkwaliteit. “Inheemse zoetwatermosselen kunnen bijdragen aan het halen van doelstellingen van bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water. Ze maken oppervlaktewater immers schoner en helderder, door zo’n 3 tot 4 liter water per uur te ‘filteren’. In het geval van de Bataafse komt daar nog bij dat het samenclusteren van mosselschelpen in snelstromende delen van beken en rivieren een geschikte omgeving biedt aan allerlei andere organismen die voedsel of een schuil- of paaiplaats zoeken. Geef je de Bataafse stroommossel weer een thuis, dan krijg je er dus waarschijnlijk een hoop andere voordelen bij cadeau.”

Tags: Actueel

Meer in Actueel

Bekijk alles

Meer van Tim Koorn

Bekijk alles