Voor de aanwijzing van locaties voor uitbreiding van Defensie ontbreekt nog belangrijke informatie over de gevolgen voor de mariene natuur en waterkwaliteit van de Waddenzee, Noordzee en het IJsselmeer. Dat maakt de uitvoerbaarheid met het oog op natuurwetgeving onzeker, is de conclusie van de Commissie mer, die zich de afgelopen maanden over het milieueffectrapport van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie boog.
Defensie staat aan de vooravond van de grootste uitbreiding sinds 1933. Verslechtering van de wereldwijde veiligheidssituatie door klimaatverandering, institutioneel wantrouwen, toenemende schaarste van grondstoffen en migratie brengen Nederland dichterbij de betrokkenheid bij een oorlog dan het in lange tijd is geweest, schreef het ministerie in mei. ‘Grootschalige militaire conflicten zijn weer voorstelbaar geworden’, en NAVO-bondgenoten moeten zich gereedmaken om het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied te verdedigen.
Om ten minste te voorzien in wat de NAVO van Nederland verwacht, heeft Defensie meer ruimte nodig, voor bijvoorbeeld kazernes, een landingsbaan, schietterreinen, munitiedepots en laagvlieggebieden. Ook moet er gegarandeerde havencapaciteit op de Tweede Maasvlakte komen. Voor in totaal 57 van zulke ruimtebehoeften onderzoekt Defensie momenteel de mogelijkheden van voorkeurslocaties door het hele land. Behalve op fysieke ruimte wordt met ruimte ook gedoeld op milieuruimte in de zin van bijvoorbeeld stikstofemissies.
2200 zienswijzen
Onder andere 30 huizen, 1350 hectare natuur en 1000 hectare landbouwgrond zullen moeten plaatsmaken, beschreef het ministerie in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) dat in mei werd gepresenteerd. Over het ontwerp-NPRD, dat deze zomer ter inzage lag, ontving het ministerie meer dan 2200 zienswijzen van particulieren, bedrijven en mede-overheden.
Staatssecretaris Gijs Tuinman vroeg de (wettelijk hiertoe ingestelde) Commissie mer om het milieueffectrapport (MER) van het NPRD te toetsen. Vandaag leverde de Commissie haar advies, samengesteld door een werkgroep van onafhankelijke deskundigen uit verschillende milieudisciplines, voorgezeten door Hans Mommaas, emeritus hoogleraar in de sociologie, voorzitter van de Ecologische Autoriteit en voormalig directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving. “Wij hebben veel waardering voor het werk dat is verzet”, concludeert Mommaas over het MER. “Tegelijk zien we dat er nog belangrijke informatie over bijvoorbeeld geluidshinder, aantasting van de Waddenzee (UNESCO Werelderfgoed) en gevolgen voor de natuur ontbreekt.”
Voor de krijgsmacht geldt namelijk geen fast lane. Hoewel de Commissie zich ervan bewust toont dat milieueffecten door veranderende geopolitieke- en veiligheidsomstandigheden een lichter gewicht kunnen krijgen in maatschappelijke afwegingen, is ze van oordeel dat de milieugevolgen zorgvuldig in kaart gebracht moeten worden. Het MER is daarom behandeld als dat van ieder ander nationaal programma. En op het gebied van water betekent dat: voldoen aan onder meer de Kaderrichtlijn Water, Kaderrichtlijn Mariene Strategie, Natura2000-richtlijnen, Natuurherstelverordening, regels voor Unesco Werelderfgoed, en de ecologische streefbeelden van de Programmatische Aanpak Grote Wateren.
Cornfield Range
Eén van de locaties waar de schoen wringt is Cornfield Range op de Vliehors, sinds 1948 het enige gebied in Nederland waar gevechtsvliegtuigen en helikopters van de luchtmacht en NAVO-bondgenoten mogen oefenen met het afschieten van echte bommen, boordwapens en raketten. Hier zou Defensie graag de zogeheten onveilige zone verruimen om te kunnen gaan oefenen met nieuwe soorten munitie: Advanced Precision Kill Weapon Systems, Hellfire-raketten en GBU-12 en GBU-49 bommen.

Een Eurocopter AS 532U2 Cougar en een Boeing CH-47D Chinook boven de Vliehors. De Chinook vuurt zijn flares af (magnesium lichtkogels). | Foto: Luchtfotoarchief Vliegbasis Soesterberg
Tegelijkertijd is de Vliehors een natuurgebied, bestaande uit een zandvlakte, kwelwateren, pionierduinen, jonge kwelderbegroeiing en een grote diversiteit aan duinvalleien met verschillende mate van infiltratie en kwel. Het is onderdeel van twee Natura2000-natuurgebieden: de Waddenzee en ‘Duinen Vlieland’. In de primaire strandduintjes, Biestarwegrasduintjes en helmduinen van de Vliehors bevinden zich bijzondere planten- en paddenstoelsoorten zoals de Duinstinkzwam, en het is het leefgebied van de grijze zeehond. Twee jaar geleden werd er ook een klapmuts geboren, een zeldzame zeehondensoort die normaal alleen in de ijszeeën rond Groenland voorkomt.
BOTSENDE BELANGEN
Bommenwerpen in beschermd natuurgebied: de Waddenvereniging en Natuurmonumenten zijn er kritisch op. Maar Defensie heeft weinig keus, legt majoor Rob Duran in dit filmpje van de Koninklijke Luchtmacht uit. ‘Nederland is zo dichtbevolkt en dichtbebouwd dat het eigenlijk alleen maar op dit soort plekken kan’, aldus Duran.
Beide Natura2000-gebieden zijn in de stikstofboekhouding aangemerkt als overbelast. Volgens Defensie betreffen de uitbreidingsplannen echter geen intensivering van het gebruik van de Vliehors en leiden de nieuwe activiteiten niet tot negatieve milieueffecten; stikstof of anderszins. Daar sluit de Commissie mer zich nog niet bij aan, omdat volgens haar van belang is wat de totale omvang van milieueffecten van verschillende uitbreidingsvoornemens bij elkaar opgeteld is voor, in dezen, de Waddenzee. Deze stapeling van effecten kan volgens de Commissie een risico vormen voor het behoud van de Unesco Werelderfgoedstatus van de Waddenzee en de Natura2000-instandhoudingsdoelen.
Stikstofdepositie
Voor deze en vele andere voorkeurslocaties die in of nabij stikstofgevoelige natuur liggen, geeft Defensie in het NPRD aan te verwachten dat het onzeker is of het mogelijk zal zijn een natuurvergunning (‘omgevingsvergunning Natura2000-activiteit’) te verkrijgen voor activiteiten die stikstofdepositie opleveren. Defensie verwacht hierdoor dat niet alle uitbreidingsplannen (direct) uitvoerbaar zullen zijn.
Als mogelijke oplossingen worden voorgesteld intern salderen (stikstofgevolgen van een nieuwe activiteit wegstrepen tegen de stikstof die een reeds vergunde activiteit op die locatie al veroorzaakte), extern salderen (stikstofneerslag van een nieuwe activiteit wegstrepen tegen de stikstofruimte van een activiteit die geheel of gedeeltelijk stopt) en compenserende (natuurherstel)maatregelen. Defensie schrijft in het ontwerp-NPRD haar rol rondom natuur en biodiversiteit serieus te nemen en een bijdrage te willen leveren aan het oplossen van stikstofproblematiek, met emissiereductie en natuurherstel op de eigen terreinen.
De haalbaarheid en effectiviteit van mogelijke maatregelen is echter niet uitgewerkt, waardoor de Commissie een aanpak mist \'waarmee Defensie richting een uitvoerbare oplossing gaat werken\'.
Raketten
Op het IJsselmeer wil Defensie vaker schietoefeningen uitvoeren (90 in plaats van 60 dagen per jaar) en het testvak waarin afgevuurde munitie landt zowel verbreden als verlengen, om spreidingseffecten beter te kunnen onderzoeken en munitie met een langere dracht te kunnen testen. Dit soort oefeningen moeten gebeuren om nieuwe wapensystemen te testen, militairen te trainen en om te controleren of munitie nog naar behoren werkt vanwege de houdbaarheidsdatum die erop zit, zo legde luitenant-kolonel Elze Horlings aan de NOS uit toen in juli zestien raketten het IJsselmeer in gingen. ‘De afgeschoten munitie wordt niet uit het IJsselmeer gehaald’, schreef de omroep daarover. ‘Wanneer bijvoorbeeld vissers restanten naar boven halen, kunnen ze Defensie bellen, die de resten vervolgens komt ophalen.’
In het NPRD toont het ministerie zich ervan bewust dat intensivering van deze activiteit niet mag leiden tot een significante verslechtering van de waterkwaliteit. De verwachte impact wordt echter niet uitgewerkt. Ook draagt de Commissie aan dat het geluid en drukgolven van (al dan niet exploderende) munitie een negatieve impact (zoals sterfte) kan hebben op het onderwaterleven en kwetsbare waterbodems. Volgens de Commissie is een risicoanalyse nodig om in te schatten wat de natuurschade zal zijn.
Ditzelfde merkt ze op in het kader van de voorziene toename in scheepvaartbewegingen op zee. Hierbij wordt aangeraden bruinvissen als indicatorsoort te hanteren, omdat deze zeer gevoelig zijn voor geluid.
Amfibische oefeningen
Langs de Waddenzee en Noordzee wordt ook gezocht naar ruimte voor amfibische oefeningen. De huidige, enige oefenlocatie hiervoor, bij de Mokbaai op Texel, is te ondiep, wordt steeds kleiner door kusterosie en is niet altijd bruikbaar afhankelijk van de weersomstandigheden. Ook is de ‘moeilijkheidsgraad’ van deze locatie niet genoeg. Daarom is het plan opgevat om mariniers ook op de Tweede Maasvlakte, de Vliehors, Marnehuizen (Groningen) of de Groote Keeten (Noord-Holland) te laten trainen.
De Commissie merkt op dat er geen rekening mee is gehouden dat zulke oefeningen op kwetsbare waterbodems kunnen leiden tot verstoring van de bodem: verdichting, erosie, of belemmering van natuurlijke sedimentatie. Daarom moet worden onderzocht, vindt de Commissie, of er op de voorkeurslocaties kwetsbare bodems aanwezig zijn en wat de impact van amfibische oefeningen daarop zou zijn.

Amfibische oefening van mariniers op Texel | Foto: Johan M. van Leeuwen (Centrum voor Audiovisuele Dienstverlening Koninklijke Marine)
Wet op de defensiegereedheid
Onderaan de streep geeft de Commissie het ministerie 35 adviezen mee voor verdere verduidelijking van de gevolgen voor water en andere milieucompartimenten. Staan deze eenmaal op een rij, dan staan Defensie en het kabinet voor een complexe weging van soms contrasterende belangen én concurrerende ruimteclaims, zoals nieuwe woonwijken, het Deltaprogramma en de energietransitie.
In het kader van deze complexe puzzel zou de Wet op de defensiegereedheid, die momenteel in voorbereiding is, mogelijk enige verlichting kunnen brengen. Onder deze wet zouden voor veel defensieprojecten vergunningplichten in het kader van natuur- en waterwetgeving kunnen vervallen. Ook zouden significant negatieve effecten op de natuur dan niet altijd gemitigeerd maar soms slechts gecompenseerd hoeven worden.
‘Het instrumentarium uit de Wodg is in principe ook van toepassing op behoeften uit het NPRD’, aldus de Commissie. “We begrijpen dat in tijden van geopolitieke spanningen het milieubelang wellicht een andere plaats krijgt in politiek-maatschappelijke afweging. Desondanks blijft het van belang om milieugevolgen goed in beeld te houden", zegt Mommaas hierover.
Defensie verwacht het definitieve NPRD in december aan te bieden aan het kabinet. Vervolgens zal het kabinet de 45 meest geschikte locaties met de minste impact op de leefomgeving aanwijzen.
REACTIE HENRI BONTENBAL
Op NPO Radio 1 hield Sven Kockelmann het nieuws vandaag voor aan Henri Bontenbal, lijsttrekker van het CDA. “Laten we alsjeblieft de prioriteiten op orde houden”, reageerde hij. “Natuurlijk zullen we moeten kijken naar de omgeving en de procedures netjes volgen, maar [..] ik denk dat we toch voor ogen moeten houden dat we niet zomaar investeren in Defensie en dat het hoge prioriteit heeft.”
“Ik denk dat het wel degelijk goed is om natuur mee te nemen, maar [..] waar ik voor zou willen waarschuwen is dat we [..] in dit soort procedures verzanden en dat het ons niet meer lukt om Defensie op te schalen omdat we Nederland zó dicht hebben geregeld dat we niet eens onze eigen defensie op orde kunnen houden.”