De Nederlandsche Bank (DNB) heeft een methode ontwikkeld waarmee de \'klimaatrisico’s\' voor investeringen van financiële instellingen in niet-financiële bedrijven in de eurozone nauwkeuriger kunnen worden bepaald. Met de nieuwe methode zouden voortaan niet langer alleen hoofdkantoren van bedrijven, maar ook andere vestigingen die fysiek risico lopen in deze risicoanalyses kunnen worden betrokken. Vooral voor locatiespecifieke natuurrampen, zoals kust- en rivieroverstromingen, zou dit tot een realistischer risicoinschatting leiden, stelt de bank.
De financiële risico’s van ‘kustoverstromingen, opeenvolgende droge dagen, aardverschuivingen, rivieroverstromingen, gestandaardiseerde neerslagindex, bodemverzakking, waterschaarste, bosbranden en windstormen’ monitorde DNB al langer. De resultaten hiervan publiceert de bank in haar dashboard ‘Risico’s klimaatverandering voor de financiële sector’. Hierbij gaat het om de impact van natuurrampen op beleggingen in en leningen aan niet-financiële bedrijven door Nederlandse financiële instellingen (banken, verzekeraars, beleggingsinstellingen en pensioenfondsen). De hiertoe gehanteerde risicobeoordelingsmethodiek, gebaseerd op een kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken, ging tot dusver echter uit van de blootstelling van het hoofdkantoor van een bedrijf aan natuurrampen, terwijl de locatie van het hoofdkantoor niet per se overeen hoeft te komen met de locatie van getroffen bedrijfsfaciliteiten.
De nieuwe methode, beschreven in een rapport dat de bank 28 augustus op haar website publiceerde, houdt wél rekening met de precieze locatie van risico lopende bedrijfsvestigingen. Vooral voor locatiespecifieke natuurrampen zoals overstromingen leidt dit tot een verbeterde risicoanalyse, schrijven de onderzoekers van DNB. Bij gebeurtenissen met een wijder verspreide impact, zoals stormen, is het volgens het rapport iets minder essentieel om de precieze locatie van bedrijfsfaciliteiten in de risicobeoordeling te betrekken, zolang de getroffen vestiging en het hoofdkantoor zich in hetzelfde land bevinden.
Overstromingskaarten TU Delft en JRC
In de vernieuwde methode baseert de bank zich voor de bepaling van verwachte jaarlijkse verliezen als gevolg van natuurrampen voor gegevens op bedrijfsniveau op het Register of Institutions and Affiliates Data (RIAD) en voor gegevens op vestigingsniveau op het Europees Pollutant Release and Transfer Register (PRTR, welke na rapportagejaar 2026 overigens vervangen zal worden door het nieuwe en uitgebreidere Industrial Emissions Portal). Het PRTR, bedoeld voor de registratie van emissiegegevens van activiteiten die daar op grond van de PRTR-verordening toe verplicht zijn, biedt de bank inzicht in de verschillende vestigingen die onder een bedrijf vallen. In het PRTR staan de gegevens van een breed scala aan bedrijfsactiviteiten, zoals energiecentrales, chemische industrie, intensieve pluimvee- of varkenshouderij en (bepaalde typen) afvalwaterzuiveringen.
Voor het inschatten van financiële schade als gevolg van overstromingen maakt DNB gebruik van overstromingskaarten met gegevens over de kansen en potentiële intensiteit van overstromingen binnen de eurozone, ontwikkeld door de TU Delft en het Joint Research Centre van de Europese Commissie.
Centraal Bureau voor de Statistiek
De belangrijkste klimaatstatistieken van DNB worden ook opgenomen in het ‘Dashboard Duurzaamheid’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat eind augustus vernieuwd werd. Justin Dijk, senior econoom en teamleider duurzaamheidsstatistieken bij DNB, vertelt op de website van het CBS over de bijdragen van DNB: “De CBS-cijfers gaan over de reële economie. Het perspectief dat de statistiektaak van DNB daaraan toevoegt, is dat we duurzaamheid bekijken vanuit de financiële sector. (..) Daarbij geldt ook dat het CBS specifiek kijkt naar Nederland en dat DNB een wereldwijde blik heeft, omdat de financiële sector nu eenmaal wereldwijd belegt.”
Bij het gebruik van de klimaatrisico-statistieken maakt DNB wel enkele kanttekeningen. ‘De data zijn nog niet volledig en de kwaliteit is nog niet vergelijkbaar met die van onze ‘normale’ statistieken’, waarschuwt de bank op haar dashboard. De gepubliceerde cijfers beslaan in sommige gevallen bijvoorbeeld nog niet de volledige portefeuille van financiële instellingen. De bank raadt daarom aan de cijfers ‘in de meeste gevallen’ te interpreteren als ondergrens van de daadwerkelijke risico’s.
PEAR, NEAR en CEAR
De bestaande rekenmethodiek van DNB is gestoeld op drie indicatoren: PEAR (Potential Exposure At Risk, potentiële blootstelling aan risico), NEAR (Normalised Exposure At Risk, genormaliseerde blootstelling aan risico) en CEAR (Collateralized Exposure At Risk, gedekte blootstelling aan risico). Deze indicatoren reflecteren historische omstandigheden en twee klimaatscenario’s: een gematigd scenario dat uitgaat van beleidsmaatregelen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen maar zonder extreme maatregelen te treffen, en ‘het slechtste scenario’ waarin de uitstoot gedurende de 21e eeuw alsmaar blijft toenemen.
De PEAR-indicator gaat over obligaties, aandelen en leningen (activa) en biedt inzicht in hoeveel daarvan kwetsbaar is voor een bepaalde natuurramp. Hierbij worden alle risico’s even zwaar gewogen, ongeacht de waarschijnlijkheid dat een ramp zich voordoet.
De NEAR-indicator gaat specifiek over leningen en weegt wél de intensiteit, waarschijnlijkheid en gevolgen van een natuurramp mee. De NEAR-indicator is alleen beschikbaar voor stormen en kust- en rivieroverstromingen. Als voorbeeld noemt DNB: ‘er wordt bij een overstroming met een waterdiepte van 1 meter uitgegaan van een schade van 25 procent aan de vaste activa van het bedrijf, terwijl bij een waterdiepte van 3 meter de activa als verloren worden beschouwd’. De NEAR-indicator gaat ervan uit dat wanneer een bedrijf door een overstroming 10 procent van zijn vermogen verliest, ook 10 procent van het geleende bedrag niet kan aflossen.
De CEAR-indicator is gebaseerd op de NEAR-indicator, maar neemt ook het financiële en fysieke onderpand mee, waar de bank beslag op kan leggen als het bedrijf een lening niet meer kan terugbetalen. Door de aanwezigheid van een onderpand neemt het verwachte verlies voor de financiële instelling af. Hierbij wordt rekening gehouden met de verwachte afname van de waarde van het fysieke onderpand als gevolg van de natuurramp. Als voorbeeld noemt DNB: ‘de waarde van de \'NEAR jaarlijks\' ten gevolge van rivieroverstromingen is 5 miljoen euro, en de waarde van \'CEAR jaarlijks\' ten gevolge van windstormen is 3 miljoen euro. Dit betekent dat 2 miljoen euro van het verwachte verlies gedekt wordt door de aanwezigheid van onderpand’.