Staalslakken, het robuuste restproduct van de staalindustrie, worden in Nederland veelvuldig ingezet als funderingsmateriaal voor oeverbescherming, dijken en wegen. Maar waar het materiaal technisch aantrekkelijk lijkt, groeit de zorg over de milieueffecten, met name voor de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater.
Die zorgen zijn niet nieuw, maar bereiken inmiddels het Binnenhof. “De discussie over het gebruik van staalslakken loopt inmiddels door tot aan de Tweede Kamer”, vertelt Arjan Wijdeveld, specialist bodem- en grondwaterkwaliteit bij kennisinstituut Deltares. “En dat is niet onterecht. Het huidige Bouwstoffenbesluit is niet altijd toereikend voor dit soort industriële restmaterialen. Mede daarom wordt het nu herzien. Vooral de risico\'s die samenhangen met de extreem hoge pH van uitlogend water worden niet voldoende ondervangen.”
Uitloging is het vrijkomen van stoffen uit de staalslakken zodra deze in contact komen met regenwater of grondwater. Uit diverse onderzoeken blijkt dat dit proces kan leiden tot verhoogde concentraties van zware metalen en zouten in het omringende milieu. Ook de extreem hoge pH-waarden van het uitspoelwater - soms tot pH 12 - baren zorgen.
Kettingreactie van verontreiniging
Zo werden op de locatie Oude-Tonge staalslakken gebruikt voor een nog te bouwen fabriek. Het waterschap heeft zorgen dat er zware metalen en zouten, zoals vanadium, strontium en arseen, naar het grondwater uitlogen. Rondom de locatie vormen echter hoge pH van het uitspoelwater, soms oplopend tot 12 of 13, het grootste risico. “Dat is geen onschuldige waarde”, zegt Wijdeveld. “Zo\'n basisch milieu mobiliseert andere metalen in de bodem die anders stabiel zouden blijven. Je krijgt daardoor een soort kettingreactie van verontreiniging.” Voor deze locatie zijn maatregelen genomen die gemonitord en beoordeeld worden.

Arjan Wijdeveld
Ook volgens kennispartijen zoals het RIVM en TNO (voorheen ECN) is het effect van staalslakken op het milieu sterk afhankelijk van de toepassing en de omstandigheden. Op locaties met veel regenval of een hoge grondwaterstand kunnen de milieueffecten tientallen jaren aanhouden. “Juist in gebieden met lange verblijftijden van oppervlaktewater, zoals poldersloten of plassen, kan het fout gaan”, aldus Wijdeveld. “Er geldt daar nu een verbod voor.”
De zorgen rond staalslakken raken inmiddels ook aan Europese regelgeving. “Formeel is de pH geen waterkwaliteitsparameter”, zegt Wijdeveld. “Maar de effecten van een extreem hoge pH zijn wél KRW-relevant.” Als staalslakken uitlogen en de pH oploopt ontstaan ongewenste chemische reacties. “Dan lossen bijvoorbeeld aluminiumsilicaten op, en daarmee komen van nature gebonden metalen vrij”, aldus Wijdeveld. “Dat proces zie je niet terug in de huidige toetsingskaders, terwijl het wel directe invloed heeft op grond- en oppervlaktewater.”
Niet in alle gevallen leidt het gebruik van staalslakken tot problemen. In estuariene gebieden, zoals de Oosterschelde, blijkt de toepassing als oeverbescherming weinig milieueffecten te hebben. Wageningen Marine Research concludeerde dat het materiaal onder deze condities geen meetbare ecologische schade aanricht. “De dynamiek van het systeem zorgt voor voldoende verversing”, legt Wijdeveld uit.
Afdekken met slib
De pH-problematiek is hardnekkig, maar niet onoplosbaar. Door staalslakken af te dekken met slib, zoals getest in het project IJsseloog, blijft de pH van het oppervlaktewater rond de 8 - een veilige waarde. “We hebben ook gekeken naar het mengen van staalslakken met bagger”, vertelt Wijdeveld. “Die combinatie stabiliseert elkaar. Maar juridisch zitten we dan meteen in het grijze gebied van afvalmenging, wat onder de huidige wetgeving problematisch is.”
Ook het wassen van staalslakken, zoals bij bodemas gebeurt, biedt volgens Wijdeveld weinig soelaas. “Bij bodemas zitten de mobiele stoffen vaak aan het oppervlak. Bij staalslakken zijn ze volledig ingebonden in de minerale matrix. Ze komen alleen vrij bij chemische verwering en dat gaat traag, tenzij de pH het proces versnelt.”
De toepassing van staalslakken is omgeven door een hybride toetsingskader tussen generieke bouwstof en specifieke toepassing. “Op papier zijn ze gecertificeerd en geschikt bevonden. Maar het risico wordt vooral afgewenteld op de aannemer en de omgevingsdiensten, die moet beoordelen of de toepassing veilig is”, zegt Wijdeveld. “En daar wringt het. Want wie heeft die expertise nog?”
Volgens Wijdeveld ligt de oplossing in een nieuw toetsingskader, waarin niet alleen de samenstelling van het materiaal, maar ook de omgevingscondities centraal staan. “We moeten naar een circulair systeembegrip, waarin verblijftijd, bodemtype en buffering expliciet worden meegenomen. Anders blijven we pleisters plakken op een verouderd systeem.”
Een evaluatie van het Bouwstoffenbesluit en een nieuw wettelijk kader zijn inmiddels in voorbereiding, onder regie van RIVM en in samenwerking met experts.