Welke klimaatadaptatie-maatregelen zijn haalbaar om te implementeren en welke zijn effectief om klimaatrisico’s te reduceren, nu en in de toekomst? Om dit soort vragen te kunnen beantwoorden ontwikkelde een internationaal onderzoeksteam van de Universiteit Utrecht een nieuwe aanpak, die fysieke, economische, bestuurlijke en juridische variabelen integreert.
Het onderzoeksteam stond onder leiding van Frances Dunn (assistent professor) en Hans Middelkoop (hoogleraar) van de Universiteit Utrecht. “We zullen ons aan moeten passen, omdat het klimaat verandert en omdat de samenleving steeds verandert”, stelt Dunn vast. “Dat speelt nu, maar ook verder in de toekomst. Tegelijkertijd weten we natuurlijk nog niet precies hoe de verschillende ontwikkelingen zullen gaan.”

Frances Dunn“Ook is het zo”, vervolgt Dunn, “dat de keuzes die we nu maken, van invloed zijn op de adaptatiemogelijkheden in de toekomst. Als simpel voorbeeld: als we nu huizen bouwen in een overstromingsgebied dan zullen we die huizen later willen beschermen. Dat ontneemt ons de toekomstige optie om op palen te bouwen of het gebied niet meer te bebouwen.”
Met deze nieuwe aanpak wordt inzichtelijk gemaakt hoe aanpassingsmaatregelen zich in de tijd ontwikkelen, afhankelijk van de fysieke, sociaaleconomische, bestuurlijke en juridische variabelen. Deze variabelen bepalen mede of een bepaalde maatregel in de toekomst wel een duurzame oplossing kan zijn. “Dit is een echt interdisciplinair onderzoek geweest, waarin we adaptatie als breed maatschappelijk fenomeen hebben onderzocht.”
Het Utrechtse onderzoek leidde tot het artikel ‘Mapping the solution space for local adaptation under global change: A test of concept for the Vietnamese Mekong delta’ waarin de wereldwijd inzetbare methode wordt geïllustreerd aan de hand van de situatie in de Mekong Delta.
“Adaptatiebeleid begint met een doel, en vervolgens met een evaluatie van mogelijke strategieën. In dit geval hebben we drie strategieën bekeken om kustoverstromingen tegen te gaan: de aanleg van mangrovebossen, de aanleg van dijken en geplande terugtrekking. Het gaat er daarbij niet allen om in hoeverre een maatregel in de toekomst nog helpt tegen bijvoorbeeld overstroming, maar ook of de fysieke en socio-economische omstandigheden het mogelijk maken deze maatregel te nemen.”
Deze drie strategieën zijn vervolgens geanalyseerd aan de hand van mogelijke klimatologische, maatschappelijke en economische ontwikkelingen. “Dan zie je dat de aanleg van mangrovebossen de ruimte beperkt voor landbouw, dus ook voor mensen om in hun levensonderhoud te voorzien. Bovendien is deze adaptatie-optie minder geschikt bij een snellere zeespiegelstijging. De aanleg van dijken is duur en geplande terugtrekking ook.”
Die laatste optie heeft volgens Dunn ook weer andere maatschappelijke gevolgen, omdat veel mensen moeten verhuizen. “Onze aanpak geeft dan niet alleen inzicht in de effectiviteit van een maatregel op de lange termijn, maar laat ook zien welke mogelijke belemmerende factoren je zou willen opheffen om de maatregel te kunnen nemen, of langer vol te houden.”
Dunn ziet de methode als een raamwerk voor de beleidsbepalers en beslissers. “De methode is bedoeld om keuzes rondom adaptatie te maken, knelpunten inzichtelijk te maken en te ontdekken welke relevante kennis er nog ontbreekt. Je kunt dan steeds de aanpak in meer detail invullen naar de maatregelen en omstandigheden die in een specifieke delta of situatie spelen.”
“Er komt nog wel iets bij”, vult Dunn aan. “Om de aanpak effectief te gebruiken en sowieso een effectieve adaptatiepolitiek te kunnen voeren, is het nodig om de ontwikkelingen steeds te monitoren en te evalueren. Adaptatie is eigenlijk nooit klaar. En dat geldt in zekere zin ook voor deze methode. We zullen de komende jaren gebruiken om het systeem steeds verder te verfijnen en in meerdere situaties toe te passen.”