Bron-tot-zee-waterbeheer in grensoverstijgende stroomgebieden, dat is het onderwerp van een nieuwe leidraad van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties. ‘Deze kan helpen bij het vergroten van het besef dat samenhangend, grensoverstijgende waterbeheer nodig is.’
De Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) is een van de vijf regionale organisaties van de Verenigde Naties. Onder de vlag van deze commissie werd in 1992 het waterverdrag van Helsinki gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het waterbeheer van grensoverstijgende wateren.

Jos van GilsDe nieuwe leidraad van UNECE is gemaakt om overheden en andere waterbeheerders te voorzien van een instrumentarium om watervervuiling, biodiversiteitsverlies en klimaatimpact tegen te gaan. Het doet aanbevelingen over manieren van samenwerking en gegevensuitwisseling. Ook biedt het een zes stappenplan voor implementatie van beheersmaatregelen en staan er meer dan 25 praktijkvoorbeelden van internationale samenwerking in.
Kennisinstituut Deltares leverde drie van deze praktijkvoorbeelden aan. Verantwoordelijk hier voor was onder andere Jos van Gils. Hij is senior adviseur/onderzoeker bij dit instituut. “De leidraad is geen juridisch bindend document, maar bevat hele praktische adviezen over vormen van samenwerking voor wie zich bezig houdt met grensoverstijgend waterbeheer. En dan bedoel ik de grenzen tussen landen, maar ook de grens tussen zoet en zout water.”
En samenwerking is belangrijk, meent Van Gils, want het besef dat waterbeheer in het ene land gevolgen kan hebben in een ander land, is nog niet overal even sterk. “In Nederland is dat anders. Wij voelen ons het bezinkputje van Europa, maar in veel andere gebieden is dat echt niet altijd top-of-mind.”
Door praktijkvoorbeelden op te nemen in de leidraad, maken de auteurs volgens Van Gils het belang van deze samenwerking inzichtelijk. “Waterbeheerders werken binnen de wettelijke kaders en zijn vaak gericht op hun eigen gebied. Maar dan ga je dingen over het hoofd zien.”
Als voorbeeld noemt Van Gils, die al sinds 1995 betrokken is bij de Donau Commissie, een waterzuivering in Boedapest. “Vanuit het perspectief van deze stad of het land Hongarije is er geen grote noodzaak veel te investeren in de zuivering. Deze loost op de Donau. Die grote, brede rivier heeft weinig last van die lozing, ook zonder effectieve zuivering. Maar kijk je vanuit het perspectief van het ontvangende mariene systeem, in dit geval de Zwarte Zee, dan ontstaan daar de problemen als de zuivering onvoldoende is.”
De Donau Commissie is volgens Van Gils sowieso een goed voorbeeld van grensoverstijgende samenwerking. “Dit is het meest internationale stroomgebied ter wereld, met meer dan twintig betrokken landen. Daar is een situatie gecreëerd, mede door voortrekkerslanden als Duitsland en Oostenrijk, waarin mensen elkaar regelmatig kunnen ontmoeten. Dat zal niet altijd alles oplossen en perfect is niks, maar dit voorbeeld laat wel zien dat er nog veel winst te behalen valt als er in meer stroomgebieden effectiever wordt samengewerkt.”