Een ruime meerderheid van perceeleigenaren van agrarische gronden op Tholen, Sint Philipsland, de Reigersbergschepolder en Eerste Bathpolder hebben ingestemd met een nieuwe vorm van belastingheffing voor de levering van zoetwater door Waterschap Scheldestromen. Het gaat om een heffing voor zogeheten plusvoorzieningen, met tariefdifferentiatie op basis van het profijtbeginsel: hoe meer profijt een perceeleigenaar bij de zoetwaterlevering kan hebben, hoe hoger de heffing. Deze uitslag van een zogeheten draagvlakmeting stelde dijkgraaf Toine Poppelaars maandag vast tijdens een openbare zitting na het sluiten van de stembussen.
Voor agrariërs in genoemde gebieden is de afhankelijkheid van externe zoetwaterbronnen groot, onder andere vanwege het zoutgehalte van het grondwater. Om boeren van landbouwkundig bruikbaar water te voorzien doorspoelt het waterschap de boerenpolders – al jaren – zo ver als mogelijk met zoet water uit het Volkerak-Zoommeer. Het is een extra ‘service’ van het waterschap, dat in dezen geen wettelijke verplichting heeft om leverancier van zoetwater te zijn. Wateraanvoer valt weliswaar onder de taakuitoefening van waterschappen, maar is niet in alle gevallen een verplichte activiteit. In sommige gevallen, zoals hier, kan zoetwateraanvoer aangemerkt worden als bovenwettelijke inspanning.
Plusvoorzieningen
Voor zulke ‘plusvoorzieningen’, waarbij een waterschap voor een specifieke groep belanghebbenden een extra inspanning levert, maakt het waterschap extra kosten. Zo vereist de zoetwateraanvoer naar de Zeeuwse polders extra onderhoud aan het doorspoeltracé, maaiwerkzaamheden aan het waterdoorvoerend profiel, het baggeren van waterbodems, het herstellen van betuiningen van oevers, en het verwijderen van drijfvuil voor gemalen, stuwen en duikers om verstopping of opstuwing te voorkomen.
Gemalen en stuwen zijn in een periode van aanvoer bovendien constant in werking, wat hogere energie- en onderhoudskosten en een grotere inzet van personeel met zich meebrengt. Ook meet het waterschap regelmatig het zoutgehalte van het water om de kwaliteit te controleren. De totale kosten voor de zoetwatervoorziening raamt Scheldestromen voor Tholen en Sint Philipsland op 697.389 euro op jaarbasis (prijspeil 2025) en op 129.459 euro voor de Reigersbergschepolder en Eerste Bathpolder.
Profijtbeginsel en tariefdifferentiatie
Momenteel betalen gebruikers van de zoetwatervoorziening al mee aan deze kosten in de vorm van zogeheten rechtenheffing (retributie) voor onttrekkingen, ingevoerd in 2013. Met deze vorm van financiering is het voor het waterschap echter onzeker welk bedrag jaarlijks wordt ontvangen, waardoor het lastig is om investeringen te plannen. "De financiering op basis van de retributieverordening is niet duurzaam en toekomstbestendig", aldus het waterschap.
Een andere beperking van retributieheffingen is de voorwaarde dat er sprake moet zijn van daadwerkelijk gebruik van de voorziening, waardoor personen onder betaling uit kunnen komen als ze zeggen dat ze geen gebruik van de voorziening hebben gemaakt en het waterschap niet kan aantonen dat dit anders is. Als onderdeel van de aanstaande hervorming van het belastingstelsel voor watersysteemheffingen heeft de wetgever er daarom voor gekozen het profijtbeginsel bij \'bovenwettelijke\' wateraanvoerprojecten beter toe te passen, door de kosten voortaan in rekening te brengen bij de gehele groep belanghebbenden die profijt kan hebben van de wateraanvoer.
Hiermee is ook invulling gegeven aan de aanbeveling van de OESO om meer economische prikkels in te bouwen in het Nederlands waterbeheer, om kritischer afwegingen voor waterverbruik te stimuleren bij gebruikers.
Scheldestromen wil gebruikmaken van de mogelijkheden die het nieuwe belastingstelsel biedt, en de hoogte van deze heffing voortaan bepalen naar rato van het genoten profijt. Hoe meer baat iemand bij de zoetwateraanvoer heeft, hoe hoger de heffing voor zijn perceel. Belastingplichtig zijn voortaan niet langer gebruikers maar de eigenaren en rechthebbenden van de agrarische gronden, al kunnen deze de heffing ook in de nieuwe situatie blijven doorrekenen naar perceelgebruikers.
Draagvlakmeting
Heffingen met tariefdifferentiatie voor wateraanvoer kan een waterschap pas invoeren nadat minimaal één belanghebbende een verzoek om een wateraanvoerproject heeft ingediend. Voor de betreffende gebieden werden dergelijke verzoeken in maart en april van dit jaar ingediend door de ZLTO afdeling Tholen en Sint Philipsland, de Gebruikersraad Tholen en Sint Philipsland, de Landbouwvereniging Reygersbergh en de Gebruikersraad Zoetwater Rilland. Ook moet uit een stemming blijken dat er onder belanghebbenden voldoende draagvlak is voor de aangevraagde voorziening en daarbij horende belastingheffing.
Opkomstdrempel en uitkomstdrempel
Zodoende nodigde Scheldestromen alle eigenaren en rechthebbenden van ‘een ongebouwd perceel met agrarische functie (niet zijnde een dijkperceel)’, die op 1 april 2025 in de basis-/kernregistraties als zodanig waren geregistreerd binnen de projectgebieden, uit om te stemmen: vóór of tegen de zoetwateraanvoer en haar financiële consequenties. Waar meerdere eigenaren waren, bepaalde het waterschap wie van hen stemgerechtigd was.
Een stemming voor plusvoorzieningen is geldig wanneer minstens 50 procent van de gerechtigden een stem heeft uitgebracht, en van voldoende draagvlak kan gesproken worden als minimaal twee derde van de uitgebrachte stemmen vóór het wateraanvoerproject en bijbehorende tariefstelling is. Tijdens de 6 weken durende stemperiode brachten 372 van de 481 stemgerechtigden hun stem uit. Een ruime meerderheid hiervan stemde vóór de zoetwaterleverantie. Dit betekent dat de ‘zoetwaterheffing’ per 1 januari 2026 kan worden opgelegd aan de betrokken perceeleigenaren, inclusief diegenen die het aangevoerde zoetwater niet wensen te onttrekken. Anders dan bij het heffen van rechten (retributie) is het bij tariefdifferentiatie immers niet van belang of er daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de voorziening.
Meebewegen met tarief ongebouwde onroerende zaken
Voor het in rekening brengen van kosten voor wateraanvoerprojecten is in de aanstaande wijziging van de Waterschapswet aangesloten bij de systematiek van bestaande tariefdifferentiaties, inhoudende dat de onroerende zaken waar ze voor gelden, minder of juist meer belang bij voorzieningen hebben. Zo kan een waterschap ervoor kiezen om voor onroerende zaken die in bemalen gebieden liggen een hoger tarief vast te stellen, of voor buitendijks gebied een lager tarief.
In lijn hiermee stelt de Waterschapswet vanaf 1 januari 2026 dat ook de heffing voor wateraanvoerprojecten maximaal 100 procent hoger kan worden gesteld dan het basistarief voor ongebouwde onroerende zaken. Ook moeten heffingen voor plusvoorzieningen worden uitgedrukt als percentage van het tarief voor watersysteemheffingen voor ongebouwde onroerende zaken. Op deze manier bewegen de tarieven voor plusvoorzieningen mee met veranderingen in het ‘tarief ongebouwd’.
De tariefdifferentiatie hangt ook samen met de lokale beschikbaarheid van (kwalitatief bruikbaar) zoetwater en de (locatie-afhankelijke) inspanningen die een belanghebbende moet verrichten om zoetwater te kunnen onttrekken. Om waterschappen te ondersteunen bij het maken van al deze afwegingen heeft de Unie van Waterschappen een viertal handreikingen over kostentoedeling en tariefdifferentiaties opgesteld, waaronder één voor wateraanvoerprojecten.
De tarieven waarover gestemd is heeft Scheldestromen in overleg met de belanghebbenden bepaald, en variëren voor Tholen en Sint Philipsland van 50 procent van het ‘tarief ongebouwd’ voor agrarische percelen met volledige beschikking over zoetwater (groene gebieden op onderstaande afbeelding) tot 35 procent voor percelen waar onttrekking meer inspanning vereist (roze gebieden) of 10 procent voor percelen met beperkte toegang tot zoetwater en/of waar zoetwater van mindere kwaliteit te onttrekken is (grijze gebieden). In de Reigersbergschepolder en Eerste Bathpolder liggen de verschillen tussen percelen minder ver uit elkaar en zal voor het voornaamste gebied 45 procent van ‘tarief ongebouwd’ moeten worden betaald.
De tariefdifferentiatiekaart voor Tholen en Sint Philipsland, behorende bij de (nog definitief vast te stellen) Kostentoedelingsverordening watersysteemheffing Waterschap Scheldestromen 2026
Geen garantie
De dienstverlening die tegenover deze bedragen staat, heeft het waterschap in samenwerking met de belanghebbenden vastgelegd in ‘spelregels’. Hierin staat bijvoorbeeld dat het waterschap geen garantie op zoetwater kan geven, omdat het voor de zoetwaterbeschikbaarheid afhankelijk is van (langetermijn)weersomstandigheden en het daarmee samenhangende waterpeil en zoutgehalte van het Volkerak-Zoommeer.
De invoering van het samenstel van de heffing, de hoogte van de tarieven en de hierbij horende voorwaarden (spelregels) hoopt Scheldestromen bij haar Algemene Vergadering van 20 november definitief te kunnen vaststellen in haar nieuwe Kostentoedelingsverordening, nadat deze een inspraakprocedure heeft doorlopen. Het instellen van deze verordening, die tenminste eens per 5 jaar moet worden herzien, is een verplichting op grond van de op handen zijnde wijzigingen aan de Waterschapswet.
Dagelijks bestuurslid en portefeuillehouder financieel beleid Carla Michielsen is tevreden met de uitslag. “De afgelopen periode is met de gebruikersraden, ZLTO en de streek een constructief gesprek gevoerd over hoe we de watertoevoersystemen toekomstgericht kunnen inrichten. Dit is een belangrijke stap daarbij.”
AANPASSING BELASTINGSTELSEL
In februari stemde de Eerste Kamer in met aanpassing van het belastingstelsel voor watersysteemheffingen, verankerd in de Algemene wet bestuursrecht, de Waterschapswet en de Waterwet (waarvan Hoofdstuk 7 nog altijd geldig is ondanks invoering van de Omgevingswet). Reden voor de hervorming was ‘de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing te versterken, meer ruimte te geven aan waterschappen om beter in te spelen op klimaatadaptatie, de energietransitie en de circulaire economie, en enkele knelpunten in de waterschapsheffingen op te lossen’, aldus het Staatsblad.
Behalve een betere toepassing van het profijtbeginsel en de mogelijkheid om bij kostentoedeling rekening te houden met specifieke gebiedskenmerken en geleverde (bovenwettelijke) inspanningen, omvat het aangepaste stelsel ook andere wijzigingen aan de watersysteemheffing, zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing. Zo zal het onder het nieuwe regime mogelijk zijn een lagere heffing te innen voor bedrijven uit wiens afvalwater de waterschappen waardevolle grondstoffen kunnen winnen, en worden analytische methoden voor de bepaling van vervuilingswaarden aangepast naar methoden die minder gebruikmaken van milieubezwaarlijke chemicaliën.
Het aangepaste belastingstelsel treedt op 1 januari 2026 in werking.