In een van de bovenlopen van de Dinkel huist de zeldzame beekprik. Dat is het goede nieuws uit het visonderzoek dat Waterschap Vechtstromen heeft laten uitvoeren. Minder positief is dat deze en andere vissoorten zich lastig door het gebied verspreiden, omdat er nog te veel stuwen en drempels zijn.
Net als de andere waterschappen moet Vechtstromen uiterlijk in 2027 voldoen aan de Kaderrichtlijn Water, die een gezonde waterkwaliteit voorschrijft. De visstand is daarvoor een belangrijke indicator, maar die is in het gebied nog niet overal op orde. Ook de doelen voor vismigratie in de zogeheten waardevolle kleine wateren spelen hierbij een rol.
Het onderzoek naar de vissoorten in de bovenlopen van de Dinkel moest inzicht opleveren in de vispasseerbaarheid van de beken in het stroomgebied. Het gaat om de Springendalsebeek en de Poelbeek bij Ootmarsum, de Luttermolenbeek bij De Lutte en de Bethlehemschebeek bij Losser.
In deze bovenlopen zijn gedeeltelijk al wel goed werkende vispassages aanwezig, maar er zijn ook nog veel obstakels die de vismigratie bemoeilijken of onmogelijk maken, verklaart een woordvoerder van het waterschap. Het gaat namelijk om beken met veel hoogteverschil, waarbij veel drempels en stuwtjes ervoor moeten zorgen dat het water niet te snel wordt afgevoerd en de bodem niet uitslijt.
Zeelten
De onderzoekers van VisAdvies en Waardenburg Ecology, die de opdracht kregen, troffen verschillende vissoorten aan. In de Luttermolenbeek en Bethlehemsbeek waren dat onder andere het bermpje, de riviergrondel en de serpeling, soorten die van stromend water houden, maar ook driedoornige en tiendoornige stekelbaarzen, die laten zien dat sommige delen van de beek tijdelijk kunnen droogvallen.
In de Poelbeek zagen ze vooral stekelbaarzen, maar opvallend genoeg ook een paar zeelten, die liever in stilstaand, plantenrijk water leven.
Een bijzondere verrassing was de beekprik in de Springendalsebeek. Deze soort komt alleen voor in beken met stromend, zuurstofrijk water, grindbodems en dood plantmateriaal. De beekprik bouwt zijn nestjes in het grind, waarna de larven zich jarenlang verstoppen in het materiaal.
Kleinere aantallen
"In ons beheergebied is dit nu de enige plek waar de beekprik voorkomt. Dat maakt het extra belangrijk om ervoor te zorgen dat hij verder kan trekken naar locaties waar de omstandigheden, afhankelijk van zijn levensfase, gunstiger zijn", aldus de woordvoerder.
Ook de vispopulaties in de vier onderzochte beken zijn reden tot zorg: ze zijn volgens de onderzoekers minder sterk dan in vergelijkbare beken in andere beheergebieden, waar al wel maatregelen zijn uitgevoerd. Niet alleen de aantallen zijn kleiner, ook de variatie in leeftijd en lengte is dat. Bovendien namen de aantallen verder stroomopwaarts snel af.
Het waterschap gaat nu bekijken welke delen van de beken vispasseerbaar moeten worden en daar voor 2027 ook voor zorgen. "Binnen een beek moet het mimimaal mogelijk zijn dat de doelsoorten een geschikte habitat hebben om te paaien, eitjes af te zetten, te foerageren en om te vluchten voor ongunstige situaties, zoals droogte of verslechtering van de waterkwaliteit."