Met de aanbieding van een overkoepelend eindrapport aan de Tweede Kamer is het Kennisprogramma Zeespiegelstijging afgelopen vrijdag afgerond. Onder de vlag van het programma verkenden overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en marktpartijen de afgelopen zes jaar hoe Nederland op de lange termijn tegen zeespiegelstijging beschermd kan worden, in termen van zowel waterveiligheid als zoetwaterbeschikbaarheid. \'Met andere woorden: in welk land willen we leven en welk land willen we achterlaten?\'
‘Niets is zeker in het leven / En de toekomst ongewis / Maar het is goed dat er bij Rotterdam / Een stormvloedkering is’. Een kwart eeuw nadat Rob Chrispijn en Harry Bannink deze woorden op muziek zetten, is de toekomst nog altijd ongewis, en bieden onze stormvloedkeringen nog altijd bescherming tegen de zee. Maar voor hoe lang nog? En hoe zorgen we dat die bescherming er blijft? Over deze vragen hebben velen zich de afgelopen zes jaar gebogen onder de paraplu van het Kennisprogramma Zeespiegelstijging, dat in 2019 werd opgestart in opdracht van de deltacommissaris en de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Kathedraaldenken
Centrale vraag van het programma was: “kunnen we Nederland veilig en leefbaar houden?”. “Het korte antwoord op deze vraag is: voorlopig wel, MITS”, zo wordt in kapitalen geconcludeerd in het eindrapport. “Om hier te kunnen blijven wonen, moeten we continu doorwerken aan de bescherming tegen overstromingen en de bereidheid hebben om hier blijvend in te investeren. Ook moeten we leven met minder zoetwater: de verzilting die nu al toeneemt, wordt sterker door zeespiegelstijging.”
Het kennisprogramma draaide om nadenken over problemen die zich zullen ontvouwen vanaf het heden tot ver in de 22e eeuw, doch waartoe de voorbereiding van oplossingen vandaag dient te beginnen. Een grote oefening in ‘kathedraaldenken’ kortom, oftewel oplossingen ontwerpen voor toekomstige generaties, zoals ook wij onze schaapjes op het droge hebben dankzij het denkwerk van bijvoorbeeld Johan van Veen (1893-1959) en Cornelis Lely (1854-1929).
Technisch kan het, mits…
In het kennisprogramma is onderzocht hoe Nederland bij verschillende niveaus van zeespiegelstijging, van 0,5 tot 5 meter, leefbaar gehouden kan worden in termen van zowel waterveiligheid als zoetwaterbeschikbaarheid.
Wat waterveiligheid betreft, wordt in het eindrapport geconcludeerd dat we met onze huidige strategie – primaire waterkeringen, afsluitbare stormvloedkeringen en zandsuppleties – een zeespiegelstijging “tot zeker 3 meter” téchnisch gezien aankunnen. Die aanpak is “nog lange tijd houdbaar”, en “een goede (kosten)efficiënte basis” om overstromingsrisico’s te beperken – “mits daarvoor genoeg ruimte, grondstoffen (zand en klei voor kustsuppleties en versterking waterkeringen), financiële middelen en uitvoeringskracht beschikbaar is”.
Naast deze randvoorwaardelijke mitsen, is ook duidelijk dat zeespiegelstijging de opgaven voor dijkversterkingen en instandhouding van kunstwerken aanzienlijk zal vergroten. “Als in 2050 alle primaire waterkeringen aan de wettelijke waarden voldoen, zoals bedoeld met het nu lopende Hoogwaterbeschermingsprogramma, moeten we deze keringen daarna blijven versterken. Over anderhalve eeuw kan de zeespiegel als het tegenzit tot zo’n 3 meter hoger staan. De keringen moeten dan over een lengte van meer dan 2000 kilometer niet alleen hoger zijn (enkele meters), maar ook breder (tot tientallen meters).”
Stormvloedkeringen
Ook zullen de stormvloedkeringen door de zeespiegelstijging deze eeuw steeds vaker gesloten moeten worden. Daarbij zullen de Maeslantkering en Oosterscheldekering naar verwachting tussen 2070 en 2100 vervangen moeten worden, maar dat is niet vanwege de zeespiegelstijging, benadrukt het rapport, doch vanwege het einde van de levensduur.
Vanwege de nadelige gevolgen voor de scheepvaart en getijdennatuur, waar sluitingen van de stormvloedkeringen mee gepaard gaan, zou het aantal sluitingen beperkt kunnen worden door de stormvloedkeringen bij een hogere waterstand te laten sluiten. Dat heeft voordelen voor de levensduur van de keringen, maar zou betekenen dat de waterstand in de Oosterschelde en Rijn-Maasmonding oploopt, waardoor “(nog) hogere en bredere dijken nodig zijn en buitendijkse gebieden (nog) vaker met nog hogere waterstanden te maken krijgen”.
Bij voortzetting van de huidige waterveiligheidsaanpak, zullen we waarschijnlijk over 100 tot 150 jaar voor de tweede maal vervanging van de stormvloedkeringen moeten overwegen. Gaan we ze eind 22e eeuw opnieuw vervangen door nog hogere en sterkere stormvloedkeringen? “Technisch is dat mogelijk, maar de impact van zeespiegelstijging op andere functies wordt steeds groter, zeker als de zeespiegelstijging snel blijkt te gaan”, aldus het rapport.
Verzilting beperken kan ‘niet tot op huidig niveau\'
Wat zoetwaterbeschikbaarheid betreft, wordt onder andere geconcludeerd dat zoetwatertekorten tot 0,5 meter zeespiegelstijging voornamelijk het gevolg van droogte en lagere rivierafvoeren zullen zijn. Daarna zal zeespiegelstijging de verzilting verder versterken, doordat meer zeewater verder landinwaarts dringt en meer zout kwelwater in de sloten komt. “Met verschillende maatregelen kunnen we de verzilting lokaal of regionaal wel blijven beperken, maar niet tot op het huidige niveau”, schrijft minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) in de brief waarmee hij het rapport aan de Kamer aanbiedt. “Het water wordt onvermijdelijk zouter, waardoor aanpassing van het landgebruik nodig is.”
Ook wordt de mogelijkheid om onder vrij verval naar zee te spuien al beperkt bij minder dan 0,5 meter zeespiegelstijging. Steeds vaker zullen pompen ingezet moeten worden om de zoutindringing bij de zee- en spuisluizen tegen te gaan – ook om wateroverlast in de achterliggende gebieden te voorkomen. “Uiteindelijk zijn we volledig op pompen aangewezen om onze spuicapaciteit te vervangen, bijvoorbeeld bij IJmuiden (vanaf 0,4 m zeespiegelstijging), de Afsluitdijk (vanaf 0,8 m – 1,0 m zeespiegelstijging), de Krammersluizen (vanaf 1,5 m zeespiegelstijging) en Bath (vanaf circa 2,5 m zeespiegelstijging)”, aldus de minister.
‘Wat we ook kiezen, de gevolgen zijn groot’
Naast het onderzoek naar verdergaan op de huidige weg, hebben vier consortia van overheden, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties de vier welbekende ‘denkrichtingen’ verkend, die de afgelopen jaren gepresenteerd zijn: Beschermen, Zeewaarts, Meebewegen en Meegroeien. Hierbij is nagedacht over samenhangende mogelijkheden voor klimaatadaptatie op nationale schaal en lange termijn (2 en 5 meter zeespiegelstijging), en is globaal in beeld gebracht wat de consequenties van adaptatiekeuzes zijn voor bijvoorbeeld de landbouw, natuur en scheepvaart.
Elk van deze denkrichtingen is een combinatie van strategieën die we van oudsher in Nederland toepassen: “de natuurlijke dynamiek benutten, het water sturen, keren en beheersen en het landgebruik aanpassen aan veranderende omstandigheden”. De impact van de uiteenlopende opties voor adaptatie, zoals het afdammen van de Nieuwe Waterweg, de regio Rijnmond-Drechtsteden inrichten als polder, of afgedamde zeearmen weer volledig open maken, is groot. “Wat we ook kiezen, de gevolgen zijn groot: onder meer voor de scheepvaart, de haven, de beschikbare ruimte in stedelijk gebied, de veiligheid in buitendijkse gebieden, landbouw en natuur.”
‘Verhuizen is de laatste optie’
“Het goede nieuws is dat er meerdere mogelijkheden zijn om te leven met zeespiegelstijging”, concludeert het eindrapport. “Geen van die mogelijkheden is gemakkelijk; ze vragen allemaal continue grote inspanning.” Linksom of rechtsom is het echter “noodzakelijk” om op nationaal niveau samenhang te borgen, omdat de watersystemen allemaal met elkaar in verbinding staan en keuzes in de ene regio gevolgen hebben voor andere regio’s. Ook kan een samenhangend perspectief helpen om desinvesteringen te voorkomen, concluderen de onderzoekers.
“Welke aanpak de beste is en wat het beste moment is om keuzes te maken, hangt niet alleen af van wat aantrekkelijk is voor het waterbeheer, maar ook van ruimtelijke, economische en maatschappelijke wensen en ontwikkelingen.” Politiek-bestuurlijke afwegingen kortom, want “iedere keuze heeft impact op functies die we belangrijk vinden, het mogelijke landgebruik, de waterkwaliteit en de natuur”. “Met andere woorden: in welk land willen we leven en welk land willen we achterlaten?”
“Verhuizen is de laatste optie”, wordt echter wel onderstreept, daarbij refererend naar de verschuiving van wonen en werken naar hoog-Nederland, die onderdeel is van de denkrichting Meebewegen. Geconcludeerd wordt namelijk dat het technisch mogelijk is om ook de lage delen van Nederland, waaronder de Randstad, goed te blijven beschermen tegen overstromingen, “in principe tot een zeespiegelstijging van 5 meter”. “Zolang dat kan, is het maatschappelijk, financieel en economisch niet verstandig om de bewoners en bedrijven van laag-Nederland te verplaatsen naar hoger gelegen delen”, aldus het rapport.
Grotere stappen per generatie
Om te voorkomen dat de onderzoeksresultaten aldoor moeten worden herzien na actualisaties van de klimaatscenario’s van het IPCC en het KNMI, is het onderzoek uitgevoerd puur op basis van waterstanden: vaste waarden voor zeespiegelstijging variërend van 0,5 tot 5 meter, onafhankelijk van het moment waarop die waterstanden zullen optreden. Toekomstige updates van klimaatscenario’s zullen daardoor "geen effect op de inhoudelijke uitkomsten" van het kennisprogramma hebben, schrijft minister Karremans. Wel zijn de KNMI-Klimaatscenario’s benut om aan te geven wanneer de onderzochte waterstanden grofweg te verwachten zouden kunnen zijn.

Wanneer welk niveau van zeespiegelstijging zal optreden, hangt af van hoe snel de uitstoot van broeikasgassen wordt teruggebracht, hoe snel de opwarming van de aarde zich verder ontwikkelt, en welke klimaatkantelpunten wanneer optreden. Wel is duidelijk dat de stappen die per generatie gezet zullen moeten worden, groter zijn naarmate de zeespiegelstijging sneller verloopt, en dat ingrijpende maatregelen dan eerder in de tijd genomen moeten worden (onderstaand geïllustreerd).

Snelheid dankzij paraatheid
Dat het na de watersnoodramp van 1953 gelukt is om binnen 50 jaar het Deltaplan te realiseren, was “ongekend snel voor een plan van dit kaliber”, aldus het rapport. “Ook na de bijna-overstromingen in het rivierengebied in 1993 en 1995 kon Nederland – na eerst de dijken op orde gebracht te hebben – razendsnel een zeer vernieuwende oplossing doorvoeren: meer ruimte maken voor de rivier”. Dat deze maatregelen betrekkelijk snel uitgevoerd zijn, herinnert het kennisprogramma, was eraan te danken dat “de plannen al klaarlagen”. “Ook nu is het belangrijk om steeds goede plannen klaar te hebben, omdat we niet weten hoe snel de zeespiegel gaat stijgen.”
‘We kunnen dit’
De resultaten van het kennisprogramma zijn recent benut bij het opstellen van de Ontwerp-Nota Ruimte, en worden momenteel gebruikt voor onder andere de herijking van het Deltaprogramma.
“Met al het onderzoek dat we in het Kennisprogramma hebben gedaan, kunnen we nu de volgende stappen zetten om ons voor te bereiden”, zegt deltacommissaris Co Verdaas in een nieuwsbericht van het Deltaprogramma. “We kunnen dit, maar het gaat veel geld en ruimte kosten om hier ook op de lange termijn veilig te kunnen blijven leven. We moeten voortdurend blijven werken aan onze bescherming tegen de zee en leren leven met minder zoetwater.”
Safety before economy
“Will the Dutch nation actually continue its struggle for existence even in a faraway future?”, vroeg Deltaplan-grondlegger Johan van Veen zich in 1948 af in zijn (in het Engels geschreven) boek Dredge, Drain, Reclaim. “It seems largely to depend on the preservation of its fighting spirit, on its continuing to acknowledge that safety comes before economy, and on its willingness to spend part of the annual income for the sake of its progeny; that is, to live up to the Zuiderzee motto, slightly altered: A nation that lives, works for its future generations and their future safety, health and wealth.”
Daarmee verwees hij naar de mentaliteit die hem was opgevallen rondom offers die gebracht werden voor de afsluiting van de Zuiderzee. “From a private-economic standpoint, the making of the Zuiderzee polders has been a loss (to the present generation); from a public-economic standpoint, it is a gain (for the future generations).” “Despite the fact that this task imposed a burden on the present generation – future generations will reap more fruits than ours – the work has been enthusiastically supported by the entire population.” Want, zo concludeerde Van Veen: ‘Happy the nation that has challenges and knows how to meet them’.
LEES OOK
H2O Actueel: Blijven beschermen tegen zeespiegelstijging of meebewegen? ‘Tijd voor maatwerk’
H2O Actueel: Klimaatpersconferentie: ‘Kabinet moet binnen 5 jaar met plan voor adaptatie komen’
H2O Actueel: Meegroeien: de natuur als bondgenoot bij zeespiegelstijging
H2O Water Matters: De kosten van Meebewegen ontleed
H2O Vakartikel: Zoutindringing in de Rijn-Maasmonding: kortetermijnmaatregelen of systeemtransformatie
H2O Vakartikel: Inzicht in de beste adaptatiebeslissingen door verbinden korte en lange termijn
LUISTER OOK
H2O Podcast: Co Verdaas: \'We moeten een nieuw hoofdstuk toevoegen aan onze delta\'
H2O Podcast: Hoe Zeeland zich voorbereidt op zeespiegelstijging en watertekorten