Kunstmatige kwelders kunnen een aantrekkelijker habitat voor vissen worden door aanbrengen van een meanderend kreekverloop, vergroten van het watervasthoudend vermogen en minder intensieve begrazing door vee. Dat beschrijft promovenda Hannah Charan-Dixon in haar proefschrift ‘Kwelders als habitat voor vissen in de Waddenzee’, dat zij op 3 juni zal verdedigen aan de Rijksuniversiteit Groningen.
De Nieuw-Zeelandse bestudeerde de afgelopen 4 jaar vispopulaties in kwelders rond de Waddenzee. Kunstmatige kwelders – de zogenoemde kwelderwerken – langs het vasteland van Groningen en Friesland enerzijds, de natuurlijke eilandkwelders van Schiermonnikoog en Texel anderzijds. Onder supervisie van hoogleraar mariene ecologie Britas Klemens Eriksson onderzocht Charan-Dixon daar welke vissoorten er voorkomen en onder welke leefomstandigheden ze er graag vertoeven.
Het onderzoek maakt deel uit van het Waddentools Swimway Project en werd gefinancierd door het Waddenfonds, het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies Noord-Holland, Groningen en Friesland. In het Swimway-project onderzoeken wetenschappers van het NIOZ, de Rijksuniversiteit Groningen, Wageningen Marine Research en de Waddenvereniging hoe verschillende leefomgevingen in het Waddenzeegebied door vissen gebruikt worden en met welke ingrepen de ecologische waarde van die gebieden kan worden vergroot.
Reden voor Eriksson en Charan-Dixon om kwelders te onderzoeken is dat het kwelderbeheer van oudsher vooral gericht is op vogels en vegetatie. De waarde van kwelders als habitat voor vissen, die in de geulen van kwelders schuilen, paaien en foerageren, is minder goed onderzocht.
Vis wil ook bij eb graag een beetje water
Charan-Dixons onderzoek laat zien dat zowel de kunstmatige als natuurlijke Waddenzeekwelders goedbezocht worden door kleine en jonge vissen, vaak in post-larvale of juveniele levensfasen. Toch zijn de natuurlijke kwelders duidelijk favoriet. De morfologische kenmerken van kwelderkreken bleken daar een grote rol in te spelen.
Zo bleek de aanwezigheid van een zoutgradiënt te zorgen voor grotere aantallen Atlantische haring, Europese paling, grondels en driedoornige stekelbaars. Een geleidelijke overgang van zout naar zoet water treffen deze vissen niet in de strakgetrokken kreken van kunstmatige kwelders; wél in de eilandkwelders, waar de kreken van nature kronkelen en waar geen zeedijk een harde scheiding tussen zoet en zout vormt.
Ook bleken de vissen voorkeur te geven aan kreken waar ook met eb nog wat water achterblijft. De onderzochte kunstmatige kwelders voorzien niet in deze woonwens, omdat die in tegenstelling tot de eilandkwelders bij eb zo goed als leeglopen. Vergroten van de waterbergingscapaciteit (door middel van kreekvolume of dichtheid van afwateringsgeulen) zou daarom van kunstmatige kwelders een aantrekkelijker habitat kunnen maken.
Dat het aanbrengen van natuurlijke morfologische kenmerken in kunstmatige kwelders de habitatkwaliteit zou kunnen verbeteren, werd verder bevestigd door monitoring van de visstand in een kunstmatige kwelder waar een groter kreekvolume en een zoutgradiënt werden gecreëerd door aanleg van een gemaal en een vispassage in de dijk.
Begrazing vormt stressfactor
Vanwege de natuurlijke begrazing op waddenkwelders (door schapen, koeien, paarden of een combinatie daarvan) onderzocht Charan-Dixon ook de invloed van drie verschillende niveaus van begrazingsintensiteit op aanwezigheid, voedingspatroon, ‘lichaamsconditie’ en reproductie van indicatieve vissoorten.
Het liet onder andere zien dat niet-begraasde en extensief begraasde gebieden meer vegetatie, een grotere hoeveelheid prooidieren en stabielere chlorofylgehaltes in het kreeksediment (een goede indicatie voor primaire productie) vertoonden, in vergelijking met intensief begraasde kreken. Op basis van deze bevindingen concludeert Charan-Dixon dat intensieve begrazing van kwelders tot verminderde habitatkwaliteit leidt, zowel voor ‘gevestigde’ vissen als voor trekvissen.
Advies voor kwelderontwerp
Het onderzoek laat zien dat beide typen waddenkwelders belangrijke habitats voor bepaalde vissoorten zijn, maar dat vooral de kunstmatige kwelders van nog grotere waarde kunnen zijn dan nu het geval is. Door aanbrengen van natuurlijke morfologische kenmerken, introduceren van een zoutgradiënt, vasthouden van water en minder intensieve begrazing zouden daar aantrekkelijkere habitats voor vissen van kunnen worden gemaakt.
Charan-Dixon roept dan ook op om deze inzichten te gebruiken bij de vaststelling van natuurbeheerdoelstellingen, en om bij het ontwerpen van kunstmatige mariene natuur meer aandacht te schenken aan het creëren van de juiste leefomstandigheden voor vissen.