Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft gisteren een landelijk ‘aanvalsplan’ voor de bestrijding en beheersing van invasieve uitheemse plant- en diersoorten aangeboden aan de Tweede Kamer. Volgens verantwoordelijk staatssecretaris Jean Rummenie gaat het om ‘een ambitieuze doorontwikkeling en versteviging van de Nederlandse exotenaanpak’.
De gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en ecosysteemdiensten worden steeds zichtbaarder in Nederland, ‘en daarmee de noodzaak om vroeg in te grijpen steeds urgenter’, aldus Rummenie in zijn brief aan de Kamer. Ook benadrukt zijn ministerie dat het door klimaatverandering voor steeds meer soorten mogelijk wordt zich in Nederland te vestigen, en dat ons ‘dichtbevolkte land met veel transportbewegingen over land, water en door de lucht, en in- en doorvoer vanuit de hele wereld’ een belangrijke taak heeft in de bestrijding daarvan.
Het plan is opgesteld naar aanleiding van twee moties uit 2023, van Caroline van der Plas (BBB) en een gezamenlijke motie van Thom van Campen, Peter Valstar (beiden VVD) en Pieter Grinwis (ChristenUnie). Vanuit verschillende invalshoeken beargumenteerd – Van der Plas met nadruk op de nijlgans en schade voor de landbouw; VVD en CU met nadruk op rivierkreeften en het waterbeheer – maar met min of meer hetzelfde verzoek: een landelijk ‘offensief invasieve exoten (..) zodat bedreiging van biodiversiteit, waterinfrastructuur en de waterkwaliteit wordt tegengegaan’. Een dergelijk ‘offensief’, zo schreef toenmalig minister van Natuur en Stikstof Christianne van der Wal, zou er komen, en eind 2024 naar de Kamer gaan.
‘Aangevallen’ werd er al; met de bestrijding van invasieve exoten zijn Nederlandse overheden en kennisinstituten al een poosje bezig, onder andere op grond van internationale afspraken en verdragen zoals de Bern-conventie (1979), het VN-Biodiversiteitsverdrag (1992) en de Europese Exotenverordening (2014). In haar motie verzocht Van der Plas de regering dit echter ‘landelijk aan te gaan pakken’, omdat ‘de aanpak van invasieve exoten nu door het Rijk wordt uitgezet naar de provincies, wat wisselende uitkomsten geeft’.
Waterbeheerders
Voor het grootste deel van de invasieve soorten op de Europese Unielijst ligt de verantwoordelijkheid voor bestrijding inderdaad bij de provincies, maar ook de waterbeheerders hebben er werk aan. Zo bestrijden de waterschappen muskus- en beverratten (die schade toebrengen aan dijken en oevers) en verschillende water- en oeverplanten die aquatische ecosystemen verstoren (zoals waternaaldkruid) of een risico voor de waterveiligheid vormen, zoals Aziatische duizendknopen.
Voor Natura 2000-gebieden in grote wateren, zoals in het IJsselmeergebied, de Waddenzee en de Noordzee, is Rijkswaterstaat (namens IenW) verantwoordelijk voor invasieve exoten die instandhoudingdoelstellingen van Natura 2000-beheerplannen in gevaar brengen. Echter voor grote wateren waar provincies de totstandkoming van het beheerplan coördineren, zoals het Natura 2000-gebied Rijntakken, is Rijkswaterstaat dan weer niet voortouwnemer maar dient het ‘medewerking te verlenen aan de noodzakelijke maatregelen’. Verder is bij het Rijk nog een brakwatervis, een zeebaarssoort en een bepaald zeewier belegd die alleen in Rijkswateren zouden kunnen voorkomen, maar dit betreft soorten die Nederland momenteel nog niet bereikt hebben.
Interdepartementale Plaagsoortbeheersing
Een gedeelde verantwoordelijkheid, kortom, waar veel verschillende overheden en kennisinstituten zich mee bezighouden. Bovendien ziet LVVN ‘steeds meer nieuwe invasieve exoten verschijnen die schadelijk kunnen zijn voor andere maatschappelijke belangen dan alleen de biodiversiteit en bescherming van ecosystemen’. Als voorbeelden worden genoemd waterveiligheid, waterkwaliteit, volksgezondheid en de economie. Voor deze beleidsterreinen signaleert het aanvalsplan wel de problematiek, maar ligt de beleidsopgave bij andere departementen. In zulke gevallen weegt LVVN met betreffende ministeries in de (recent opgestarte) Interdepartementale Coördinatiestructuur Plaagsoortbeheersing of er een rol is voor twee of meer departementen.
Een voorbeeld van exoten waar ook andere ministeries een zorg aan hebben zijn de mariene soorten, wiens uitroeiing of beheersing ‘zeer moeilijk of meestal onmogelijk’ is. De meeste pogingen hiertoe zijn grotendeels mislukt, en voor mariene exoten die als aangroei op scheepsrompen de zeven zeeën overvaren geldt geen bindende wet- en regelgeving maar enkel vrijwillig te implementeren richtlijnen van de International Maritime Organization (IMO). Hoe IMO-lidstaten deze richtlijnen interpreteren, bijvoorbeeld in regels voor scheepvaart of in de lozingsvergunningen van bedrijven die scheepshuiden onder water of aan land reinigen en het hieruit resulterend afvalwater op Nederlandse wateren lozen, is vrijblijvend. Een bindend juridisch IMO-kader is sinds enkele jaren wel in voorbereiding.
Preventie en innovatie
Focus van het nieuwe aanvalsplan ligt derhalve op de taken van LVVN en provincies. Hierin wordt de nadruk gelegd op maatregelen die moeten voorkomen dat invasieve exoten Nederland binnenkomen of zich hier verspreiden. ‘Niet alleen omdat preventie de meest kosteneffectieve manier is om schade door invasieve exoten te voorkomen; het is soms zelfs de énige optie omdat voor sommige soorten of milieus (nog) geen effectieve of efficiënte bestrijdingsmaatregelen bestaan’, aldus het ministerie.
Zo stelt het plan voor om nationaal handelsverboden te verkennen voor invasieve exoten die niet op de Unielijst staan (of daar op kunnen komen) maar in Nederland wel problematisch zijn. Van het nationaal handelsverbod op Aziatische duizendknopen (ingegaan in 2022) kan namelijk geleerd worden, aldus het plan, dat dit verbod ‘een bredere werking [bleek] te hebben op álle handelingen, ook onopzettelijke handelingen waarbij de invasieve exoot onbedoeld meelift’. Daarbij wordt gedoeld op bijvoorbeeld zaden of plantenresten die ‘meeliften’ in grond, bagger en maaisel.
Capaciteit en kennis
Verder gaat LVVN ‘met voorrang aan de slag’ met een ministeriële regeling die de inzet van vangkooien of een geweer voor bepaalde exoten moet versoepelen. Momenteel moeten namelijk ‘twaalf provincies per individuele partij en voor iedere soort een opdracht verstrekken, voordat geschoten mag worden’, aldus het plan. De Raad voor Dieraangelegenheden is gevraagd te reflecteren op de spanning die bestaat tussen behoud van natuur enerzijds en ‘de maatschappelijke wens om geen dieren te doden’ anderzijds. Deze zienswijze wordt in het eerste kwartaal van dit jaar verwacht.
Ook vraagt LVVN om investeringen in personele capaciteit, met name voor beleidsontwikkeling bij LVVN en handhaving door de NVWA en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, en in het ontwikkelen en delen van kennis. Partijen die zich hiermee bezighouden zouden met een gezamenlijke onderzoeksagenda moeten gaan werken, aldus het plan, en er zal meer geld naar wetenschappelijk onderzoek moeten. ‘De kennisbasis bij wetenschappelijke instituten zoals de Radboud Universiteit en Wageningen University & Research en soortenorganisaties dient op orde te zijn’, en uit een evaluatie is gebleken ‘dat de invasiebiologie (risico-analyses) en kennis over (bestrijding van) invasieve exoten financiële borging behoeven, omdat continuïteit anders niet is te garanderen’.
Sleufval en paraplukorf
Ook wil LVVN meer inzetten op innovatieve opsporings- en bestrijdingsmethoden. Als voorbeelden worden genoemd de gebruikmaking van environmental DNA-sporen (eDNA) in water, bodem en lucht; slimme cameravallen; drones, eventueel in combinatie met andere remote sensing technieken; geautomatiseerde gegevensverwerking; en het ‘zenderen’ van soorten.
Ook rivierkreeften wil LVVN - eindverantwoordelijke voor deze soorten - met innovatie te lijf gaan. In het plan geeft het ministerie aan tot dusver te hebben ingezet op het mogelijk maken van bevissen en verkopen van uitheemse rivierkreeften door beroepsvissers, en juridisch onderzoek naar de mogelijkheden voor het vangen van rivierkreeften door waterschappen. Daar moeten de waterschappen in de bestaande situatie namelijk een ontheffing voor aanvragen, of het uitbesteden aan beroepsvissers, aan wie dit wettelijk voorbehouden is.
Eind december zijn concept-wetswijzigingen van visserijregelgeving – waar VVD en CU mede op aandrongen in hun motie – ter inzage gelegd, die het waterschappen en ‘als het nodig blijkt’ ook andere overheden (makkelijker) mogelijk moeten gaan maken om rivierkreeften te vangen. Hiertoe is door LVVN en het Hoogheemraadschap van Delfland – daarbij geholpen door vele inzendingen voor een prijsvraag – speciaal vistuig ontwikkeld, de zogeheten sleufval en paraplukorf, waarmee grootschalig en selectief op rivierkreeften kan worden gevist. Beide vistuigen hebben openingen waar rivierkreeften niet uit kunnen ontsnappen, maar vissen of andere bijvangst wél.
Financiering
De totale financieringsvraag van het aanvalsplan bedraagt 176,1 miljoen euro. Dit bedrag bestaat uit een geschatte 168,1 miljoen euro voor provinciale taken (rivierkreeften in natuurgebieden incluis) en 8 miljoen euro voor LVVN. Zodat er ‘voortvarend begonnen kon worden’ met het aanvalsplan heeft LVVN bij de voorjaarsbesluitvorming van 2025 alvast 4,6 miljoen voor 2025 en 4,6 miljoen voor 2026 vrijgemaakt voor de inzet van de provincies en LVVN.
Overigens betreft deze raming nog niet het volledige benodigde budget. Het plan heeft namelijk betrekking op 88 soorten van de Unielijst, plus een aantal exoten die in het kader van natuurdoelstellingen de aandacht van provincies en terreinbeheerders vragen maar (nog) niet op de Unielijst staan. De 26 soorten die de EU vorig jaar augustus aan de Unielijst toevoegde echter, vallen buiten het plan omdat voor deze soorten ‘de onderhandeling met de provincies over de overdracht van de verantwoordelijkheid voor eliminatie of beheersmaatregelen nog moet starten’. De kostenindicatie van het landelijk aanvalsplan bevat daardoor nog niet alle in te schatten kosten.
Op soorten die al wijdverspreid zijn zal geen extra inzet worden gepleegd zolang hiervoor geen extra middelen beschikbaar worden gesteld, stelt de aanbiedingsbrief. Daarbij gaat het om soorten zoals Aziatische duizendknopen of rivierkreeften, die ‘niet of met veel moeite (en nooit geheel tot aan uitroeiing) te bestrijden zijn’. Voor deze gevallen wegen de baten niet op tegen de kosten, en is het ‘niet proportioneel om alle (gevestigde) invasieve exoten volledig uit het milieu te willen verwijderen’, staat in het plan.
Besluitvorming over de uitvoering van dit voorstel is aan het nieuwe kabinet of, indien dat er tegen die tijd nog niet is, het demissionaire kabinet voor de Voorjaarsbesluitvorming 2026.
UPDATE
In reactie op vragen van H2O geeft de Unie van Waterschappen aan dat de huidige middelen en aanpak wat de Unie betreft niet volstaan voor bestrijding van de Amerikaanse rivierkreeft. “De aangekondigde 8 miljoen euro voor vier jaar is op landelijk niveau te beperkt om de schade aan waterveiligheid, biodiversiteit en KRW-doelen significant te verminderen”, aldus een woordvoerder. “De waterschappen dringen erop aan dat het ministerie meer verantwoordelijkheid neemt en middelen vrijmaakt zodat rivierkreeftpopulaties echt tot beheersbare niveaus kunnen worden teruggebracht.”
LEES OOK
H2O Actueel: Muskusrattenbeheer Rivierenland zet warmtebeelddrone in voor opsporing van de beverrat
H2O Actueel: Invasieve grondels leiden tot toename snoekbaars en paling
H2O Actueel: 26 nieuwe invasieve exoten op de Unielijst: wie zijn ze en wat doen ze?
H2O Actueel: Waterschappen gaan bladvlooien, mijten en snuitkevers inzetten om invasieve plantensoorten te bestrijden