Het gaat niet goed met de stroomminnende riviervissen in Nederland. Onderzoekers van Wageningen University bekeken de effecten op deze soorten van herstelmaatregelen in het kader van Ruimte voor de Rivier. Die blijken positief: gevarieerde en goed verbonden uiterwaarden zijn essentieel. ‘Maar het ligt allemaal heel subtiel’.
“We zien dat het niet goed gaat met een aantal soorten riviervissen. De populatie blijft laag ondanks natuurherstelmaatregelen. Rijkswaterstaat, de opdrachtgever van dit onderzoek, en wij wilden graag weten waar de bottleneck precies zit, met name voor vissen die tijdens hun leven stromend water nodig hebben”, vertelt Leo Nagelkerke, universitair docent visbiologie en visserij.

Leo NagelkerkeDaarom analyseerden onderzoekers van de WUR, aangevoerd door promovendus Twan Stoffers, het habitatgebruik van jonge vissen in de Rijn. Er werden meer dan 1,4 miljoen larven en jonge vissen gevangen, in achttien herstelde uiterwaarden langs de Waal, Nederrijn en IJssel. “Daarbij is precies gekeken waar en wanneer we de vissen in welk levensstadium aantroffen.”
De aanname achter het onderzoek, ook op basis van eerdere onderzoeken in binnen- en buitenland, was dat deze vissen een habitatsprobleem hebben. “Het is namelijk zo dat jonge vissen heel snel groeien en dan steeds behoefte hebben aan een ander soort leefomgeving, met ander voedsel.”
Binnen het onderzoek werden vijf belangrijke typen kraamkamerhabitats voor jonge riviervissen onderscheiden, variërend in diepte, stroomsnelheid en bodemsoort. “Meer dan 60% van de bestudeerde vissoorten bewoog tijdens hun ontwikkeling tussen alle vijf de habitatsoorten.”
Uit het onderzoek blijkt dat gevarieerde en goed verbonden uiterwaarden van belang zijn voor het herstel en behoud van vispopulaties en de biodiversiteit in rivieren. “In dat opzicht zijn de maatregelen die zijn genomen in het kader van Ruimte voor de Rivier dus zeker positief te noemen. Het is voor deze vissen echt cruciaal dat tijdens hun groei verschillende habitats beschikbaar en bereikbaar zijn.”
Hoewel positief, weet Nagelkerke niet zeker of de maatregelen voldoende zijn. “Het feit blijft dat het niet goed gaat met deze soorten. Er gaat nog steeds ergens iets mis. Daar komt nog bij, dat hebben we tijdens de droge zomers de afgelopen jaren ook gezien, dat we iets zullen moeten doen om inrichting van de rivieren klimaatresistenter te maken. Er waren zomers bij dat het water gewoon weg was of te warm was voor de jonge vissen.”
Opvallende uitkomst van onderzoek was volgens Nagelkerke dat de habitatvoorkeuren van de vissen per soort sterk verschillen. “We dachten vroeger dat die stroomminnende vissen grofweg dezelfde voorkeuren hebben. Dat blijkt veel subtieler te liggen. Sommige vissen zijn veel gevoeliger dan andere. Hoe beter we dat in kaart brengen, hoe beter we herstelmaatregelen toe kunnen spitsen op de behoefte van de soorten die we willen beschermen.”