Omdat het onderzoeken van oppervlaktewatermonsters aanzienlijk minder arbeidsintensief is dan het vangen, invriezen, ontleden en onderzoeken van ratten, heeft het RIVM onderzocht of waterbemonstering uitkomst biedt voor het detecteren van Leptospira-bacteriën op zwemlocaties. Nodig, aldus het RIVM, omdat kennis over het risico op (zeldzame) leptospirose-infecties op zwemlocaties beperkt is. Slechts twee zwemlocaties meldden zich echter aan voor onderzoek. ‘De lage respons kan mogelijk wijzen op een gebrek aan bewustzijn of gevoel van urgentie bij beheerders van zwemlocaties, aldus de onderzoekers in een gister gepubliceerd rapport.
Leptospirose is een verzamelnaam voor meerdere ziektebeelden, zoals modderkoorts, melkerskoorts en de ziekte van Weil, die veroorzaakt worden door Leptospira-bacteriën. Deze bacteriën kunnen worden overgedragen door runderen, veldmuizen en ratten. Leptospirose wordt gekenmerkt door griepachtige verschijnselen, zoals (hevige) hoofdpijn, koorts, misselijkheid en braken. Van deze ziekten komen in Nederland vooral modderkoorts en de ziekte van Weil voor. Bij laatstgenoemde worden nieren en lever aangetast, wat zonder adequate behandeling tot de dood, of een langdurige nasleep kan leiden. ‘Ik ging van een fitte man naar iemand die zich achter een rollator moest voortbewegen’, aldus een arts die de ziekte opliep, in Pointer.
Muskus- en bruine ratten
Mensen kunnen (onder andere) besmet raken door contact met oppervlaktewater waar ratten in leven, bijvoorbeeld tijdens recreatie op of aan het water. Modderkoorts kan worden overgedragen door muizen of muskusratten; de ziekte van Weil met name door bruine ratten. Muizen zullen niet snel het water in gaan, maar vormen wel een risico in het omliggende terrein. Besmetting kan zowel in (zoet) water als op de oever plaatsvinden, wanneer mensen via slijmvliezen of wondjes in de huid in contact komen met besmet water.
Warm weer, langdurige of zware regenval en overstromingen kunnen tot een toename van het aantal leptospirose-infecties leiden. Zo kampt bijvoorbeeld Jamaica momenteel met een leptospirose-uitbraak als gevolg van overstromingen door orkaan Melissa. In Nederland is leptospirose bij mensen zeldzaam, maar vormt contact met oppervlaktewater wel de meest voorkomende besmettingsroute. In 2023 werden 74 gevallen van binnenlands opgelopen leptospirose gemeld – het hoogste aantal sinds de GGD in 2005 met een centrale registratie aanving – en de meeste hiervan vonden plaats door contact met oppervlaktewater of modder. Van alle leptospirose-infecties die tussen 2008 en 2017 gemeld zijn en in Nederland opgelopen waren, was 6 procent gerelateerd aan (water)sportevenementen zoals triatlons en modderraces.
Topje van de ijsberg
Het geregistreerde aantal weergeeft echter niet het werkelijke aantal besmettingen, aldus het RIVM. Dat wat er gemeld wordt is slechts ‘het topje van de ijsberg’, zei ook Marga Goris, hoofd van het Expertisecentrum Leptospirose eerder in De Gelderlander. Een leptospirose-infectie kan namelijk mild verlopen, waardoor waarschijnlijk veel gevallen niet als zodanig gediagnosticeerd of gerapporteerd worden.
Omdat er onvoldoende kennis is over de relatie tussen aantallen leptospiren in zwemwater en het optreden van leptospirose bij zwemmers, en ‘naar aanleiding van signalen over rattenoverlast en gevallen van leptospirose op zwemlocaties, evenals zorgen die daaruit voortkomen’, heeft het RIVM het nu opgeleverde onderzoek opgezet. (Kleine) clusters van zwemmers die de infectie op eenzelfde zwemlocatie hebben opgelopen benadrukken de noodzaak van adequate informatievoorziening aan waterbeheerders over de risico’s voor zwemmers, aldus het RIVM.
Rattenholen en waterschoenen
Eerder (2021) schreef het instituut in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat al een handreiking hierover voor beheerders van zwemlocaties, de GGD, waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies. Aanleiding was toen de besmetting van vier mensen met leptospiren op een (officiële) zwemlocatie in het dorp Slijk-Ewijk, die daardoor de ziekte van Weil opliepen. Hierbij werd duidelijk dat het voor verschillende overheden bij dergelijke uitbraken niet duidelijk was wie waarvoor verantwoordelijk is. In de toen opgeleverde handreiking heeft het RIVM daarom voor verschillende besmettingsscenario’s uiteengezet wie welke actie moet ondernemen, en aanbevelingen aan beheerders van zwemlocaties gedaan, zoals regelmatige inspectie van het aantal rattenholen, en het informeren van zwemmers om bijvoorbeeld schoenen te dragen in stilstaand water.
Het onderzoek maakte echter ook duidelijk dat het nog ontbreekt aan inzicht in de samenhang tussen de dynamiek van een rattenpopulatie, de uitscheiding van leptospiren, concentraties leptospiren in water of sediment, omgevingsfactoren zoals temperatuur, en de blootstelling van recreanten. Dit inzicht is echter essentieel, aldus het RIVM, voor een betere risico-inschatting en effectievere inzet van beheersmaatregelen. Meer kennis kan ook bijdragen aan betere meetinstrumenten, voor een snellere schatting van aantallen ratten en concentraties leptospiren op basis van DNA in water of sediment.
Arbeidsintensief
Deze kennisleemten kunnen worden ingevuld met behulp van rattenonderzoek, maar dat is arbeidsintensief en alleen mogelijk met een vergunning voor het vangen van ratten, of op locaties waar al ratten gevangen worden in het kader van bestrijding. Daarom heeft het RIVM nu getracht te onderzoeken of analyse van oppervlaktewatermonsters een gelijkwaardig alternatief kan bieden. De werving van onderzoekslocaties bleek echter ‘uitdagend’, schrijft het RIVM. Slechts twee beheerders van zwemwater meldden een locatie aan voor onderzoek (De Meent in Breukelen, en Vechtpark Hardenberg).
Op deze locaties zijn watermonsters genomen en met hulp van lokale waterschappen ratten gevangen, die door het RIVM onderzocht zijn voor vergelijkende analyses. Hiermee is aangetoond dat Leptospira-DNA gedetecteerd kan worden in zowel water als ratten, maar door de beperkte dataset kan nog niet worden geconcludeerd of wateronderzoek een volwaardig alternatief kan zijn. Daar zijn metingen op een groter aantal locaties voor nodig. Hierin moeten officiële zwemlocaties, wildzwemplekken, en locaties met en zonder bekende rattenoverlast worden meegenomen, aldus het RIVM.
Voorspellende risicokaart
Vanwege het kleine aantal aangeboden onderzoekslocaties zijn aanvullend ook oppervlaktewatermonsters genomen op 17 willekeurige locaties, waaronder 15 ‘mogelijke zwemplekken’. Op 10 van deze ‘zwemplekken’ werd DNA van Leptospira-bacteriën aangetroffen. De aanwezigheid van DNA in het water zou echter ook kunnen duiden op persisterend DNA als gevolg van eerdere aanwezigheid van besmette ratten. Op basis van de huidige gegevens is het nog niet mogelijk om te stellen dat aanwezigheid van Leptospira-DNA in water op een actuele besmettingsbron of een reëel risico voor zwemmers wijst.
Wel kunnen de onderzoeksresultaten bijdragen aan risicoschattingen voor het identificeren van hotspots met verhoogde blootstellings- en infectierisico’s. In eerder onderzoek is namelijk op basis van omgevingskenmerken en rattenpopulaties een voorspellende risicokaart ontwikkeld. De resultaten uit het oppervlaktewateronderzoek kunnen bijdragen aan verdere ontwikkeling van dit model.
Lage respons
Dat slechts twee locaties voor onderzoek zijn aangeboden kan er volgens het RIVM op wijzen dat de problematiek in Nederland mogelijk minder groot is dan aanvankelijk gedacht. Daar wordt echter de kanttekening bij geplaatst dat rekening moet worden gehouden met een mogelijke onderrapportage van leptospirose-infecties, en dat er in Nederland ‘wel degelijk een stijging van het aantal leptospirosegevallen’ is. Een andere verklaring voor de beperkte deelname zou volgens de onderzoekers kunnen zijn dat het bij beheerders van zwemlocaties ontbreekt aan ‘bewustzijn of een gevoel van urgentie’ voor het risico op leptospirose voor zwemmers.
Om een completer beeld te vormen herhaalt het RIVM haar eerdere aanbeveling van 2021, om een centrale registratie bij te houden van leptospirosegevallen die verband houden met zwemwater. Op dit moment wordt daar in de surveillance namelijk niet naar gevraagd; enkel of blootstelling aan oppervlaktewater in zijn algemeenheid heeft plaatsgevonden. Een specifiekere registratie zou volgens de onderzoekers helpen om trends te signaleren en mogelijke bronnen sneller te identificeren.