Ga naar inhoud

STOWA publiceert boek over de watersnood van 1926: ‘De ramp die geen ramp mocht heten’

Stowa presenteert boek ‘De ramp die geen ramp mocht heten’ over de ‘vergeten’ watersnoodramp van 1926

Door Tim Koorn
STOWA publiceert boek over de watersnood van 1926: ‘De ramp die geen ramp mocht heten’
Gepubliceerd:

Tientallen dijken braken door, in alleen al het Land van Maas en Waal raakten meer dan 1000 huizen zwaar beschadigd, vee verdronk en oogsten mislukten. Toch mocht de watersnood van 1926 geen ramp worden genoemd. In opdracht van STOWA is nu een boek gemaakt om de gebeurtenissen van honderd jaar geleden vast te leggen en er lessen uit te trekken: ‘volledige zekerheid is een illusie.’

Auteur Moniek Löffler kreeg de opdracht om het boek, met als titel ‘De ramp die geen ramp mocht heten’ te maken. “Het is een beetje een vergeten gebeurtenis in het nationale bewustzijn. Maar regionaal heeft het een enorme invloed gehad, die heel lang heeft doorgewerkt.”

Na een eerste dijkdoorbraak op oudejaarsdag 1925, bij Overasselt in Gelderland, kwam uiteindelijk een groot deel van Nederland langs de rivieren de Maas, de Waal en de IJssel onder water te staan. De ramp ontstond volgens Löffler door een samenloop van omstandigheden. “Er was in de periode voor de dijkdoorbraak sprake van veel regen- en sneeuwval. Er kwam dus een enorme hoeveelheid water op ons land af. Als je kijkt naar de Maas en de Rijn, vergelijkbaar met de hoeveelheid in 1993 en 1995.”

Maar naast natuurlijke omstandigheden speelde er nog iets anders. Vanaf de middeleeuwen kende Nederland een systeem van ‘overlaten’, zoals de Beerse Overlaat in Brabant. Bepaalde stukken dijk werden bewust lager gehouden. Bij extreem veel water in de rivier overstroomde een stuk van de dijk om zo problemen stroomafwaarts te voorkomen. “Zulke overstromingen kwamen regelmatig voor. De mensen in Brabant hadden daar vanzelfsprekend last van. Onder druk uit Brabant is de Beerse Overlaat toen verhoogd, waardoor de druk op de Maasdijken toenam.

En als laatste oorzaak noemt Löffler de gebrekkige coördinatie van het waterveiligheidssysteem. “Er waren toen in Nederland honderden waterschapjes. Landeigenaren moesten vaak zelf betalen voor dijkversterkingen in hun gebied. Er was niet echt sprake van een gecoördineerde, landelijke aanpak op het gebied van waterveiligheid. Dat heeft er zeker aan bijgedragen dat de overstromingen uiteindelijk deze omvang kregen.”

Maar hoewel de gevolgen groot waren, mochten de gebeurtenissen van toenmalig premier Hendrik Colijn geen ramp genoemd worden. “Daar komt de titel ook vandaan natuurlijk. Colijn was van mening dat overstromingen in het rivierengebied bij het leven hoorden, omdat dijkdoorbraken daar voorzienbaar en te voorkomen waren. Daarom kwam er ook pas laat een compensatieregeling. Overigens een regeling waar de allerarmsten weinig aan hadden. Deze ramp heeft dan ook jaren doorgewerkt, dat zag je bijvoorbeeld aan een laag vertrouwen in de overheid in het getroffen gebied.”

Die overheid voerde overigens wel maatregelen door om watersnoodrampen als deze te voorkomen. Rivieren werden gekanaliseerd en er volgden aanpassingen aan de organisatie van het waterbeheer.

“Maar ook nu zijn er zeker nog lessen te trekken uit deze ramp”, denkt Löffler. Ze noemt als voorbeeld het belang van samenwerking tussen overheidsinstanties en een gecoördineerde aanpak. “En het gaat ook over de mensen zelf. In 1926 waren de mensen nog wel gewend aan natte voeten. Ik denk dat mensen in kwetsbare gebieden daar nu niet meer zo bij stilstaan. Terwijl een overstroming altijd nog weer kan voorkomen. Volledige zekerheid is een illusie.”

Meer in Media & Cultuur

Bekijk alles

Meer van Tim Koorn

Bekijk alles