Het is grotendeels onduidelijk bij welke mate van verzilting of verzoeting schade aan natuur en landbouw optreedt en wat de hersteltijd is na schade. In een kennisrapportage is een overzicht van de effecten gepresenteerd. Dit artikel beschrijft het op basis van de beschikbare kennis ontwikkelde afwegingskader.
Download hier de pdf van dit artikel
Geschreven door Steven Weisscher, Remco van Ek, Marloes van der Kamp, (Witteveen+Bos), Rob Ruijtenberg (STOWA), Arjen de Vos (The Salt Doctors), Gerben van Geest (Van Geest ecologie), Gijs van Dijk (B-WARE), Tine te Winkel (Acacia Water)
Verzilting en verzoeting spelen een grote rol in Laag-Nederland. Deze invloed zal in de toekomst verder toenemen door een toenemende vraag naar zoet water, zeespiegelstijging en een toename in weersextremen. Tijdens droogte neemt de beschikbaarheid van zoet water af, wat vraagt om zorgvuldige keuzes in het waterbeheer. Het hier gepresenteerde afwegingskader kan als hulpmiddel toegepast worden bij deze keuzes.
| 1. Zoet-zoutdynamiek verwijst hier naar de wisselwerking tussen hydrologische, biogeochemische en biologische processen die optreden als water met verschillende zoutgehaltes met elkaar in contact komt over ruimte en tijd. Met natuur worden gebieden met een natuurwaarde bedoeld, zoals N2000, NNN en andere waardevolle gebieden (focusgebieden basiskwaliteit natuur). |
Over de zoet-zoutdynamiek in relatie tot landbouw en natuur zijn reeds tal van samenwerkingen en onderzoeksprogramma’s gestart. Voorbeelden zijn het kennisprogramma DROOGTE! (STOWA), kennisimpuls waterkwaliteit - Brakke wateren en het kenniscluster verzilting (SALTA). Desondanks zijn de effecten van verzilting en verzoeting op landbouw en natuur nog onvoldoende in beeld gebracht, waardoor het moeilijk is de gevolgen van keuzes in het waterbeheer te voorzien. Daarom heeft STOWA het initiatief genomen om een kwantitatief instrument te ontwikkelen dat de laatste kennis uit de wetenschap en de Nederlandse praktijk bundelt om de effecten van de zoet-zoutdynamiek in beeld te brengen in een zogeheten ‘afwegingskader’.
Het afwegingskader ‘Hoe om te gaan met zoet-zoutdynamiek’ heeft als doel om een eerste onderbouwde inschatting te geven van risico’s ten aanzien van schade aan doelgewassen (landbouw), KRW-watertypen (aquatische natuur) of beheer- en habitattypen (veelal terrestrische natuur) door verzilting of verzoeting. Deze afweging wordt gemaakt voor de huidige situatie en een toekomstige situatie. Het afwegingskader helpt bij het formuleren van waterbeleid en het vergroten van begrip van de effecten van verzilting en verzoeting. Dit artikel beschrijft de laatste kennis omtrent zoet-zoutdynamiek (voor details zie rapportage [1], [2] en het hieruit voortkomende afwegingskader [3], [4], [5]).
Zoet-zoutdynamiek
Om zoet-zoutdynamiek te begrijpen, is inzicht nodig in de werking van het landschap, met specifiek aandacht voor de hydrologische, biogeochemische en biologische processen. Zoet-zoutdynamiek is een eigenschap van Laag-Nederland, waar brak/zout grond- en oppervlaktewater van nature in contact komt met zoet water (neerslag, rivierafvoer).
Er zijn twee methoden gangbaar om ‘het zoutgehalte’ te bepalen, namelijk het chloridegehalte (mg Cl/l) en het elektrisch geleidend vermogen (EGV) (deciSiemens per meter, dS/m) (zie kader 2). De geleidbaarheid is een goede indicatie voor de som van de concentraties positief geladen ionen (bijv.: natrium, kalium, calcium, magnesium) en negatief geladen ionen (bijv.: chloride, sulfaat, bicarbonaat) en brengt in onze opinie de situatie van het vraagstuk beter in beeld. In de ecologie wordt doorgaans het chloridegehalte gemeten, terwijl in de landbouw vaker het EGV wordt gehanteerd.
|
2. Omrekening chloridegehalte en EGV Met name bij lage zoutgehaltes zijn het EGV en het chloridegehalte moeilijk naar elkaar om te rekenen. Dit komt doordat chloride bij een laag zoutgehalte niet per se het dominante negatieve ion is, waardoor er geen goed verband is tussen het chloridegehalte en het EGV. Pas bij een hoog zoutgehalte (> 2 dS/m) zijn natrium en chloride de dominante ionen en is de correlatie tussen het EGV en chloridegehalte sterk. Op basis van verschillende studies [6], [7], [8], [9], [10] is de volgende correlatie tussen chloride en het EGV opgesteld: chloridegehalte (mg Cl/l) = 165*EGV (dS/m)^1.3438. Voor bodems wordt het zoutgehalte uitgedrukt in EGVe (EGV-extract) volgens de internationale standaard. |
Invloed van hydrologie en biogeochemie
Om grip te krijgen op het vraagstuk is het belangrijk te weten waar zoet en zout water vandaan komt. Hierbij is onderscheid te maken tussen interne bronnen, zoals oud marien grondwater, en externe bronnen, zoals zout zeewater dat via de kust of rivieren binnendringt. Klimaatverandering kan, door meer droogte of juist meer neerslag op de korte termijn, de lokale en regionale verschillen in zoutgehalte in ruimte en tijd sterk vergroten.
Veranderingen in het zoutgehalte kunnen grote invloed hebben op biogeochemische processen in het water en in de bodem. Door een hoger zoutgehalte kunnen positief geladen ionen uit de bodem vrijkomen [11] en kunnen kleine deeltjes samenklonteren en bezinken [12], [13]. Dit beïnvloedt belangrijke processen zoals de stikstof- en fosforkringloop, het doorzicht, de zuurstofbeschikbaarheid in het water en de vorming van giftige stoffen zoals sulfide in de waterbodem [14], [15], [16], [17].
Welke biogeochemische effecten beïnvloed worden, hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis van een gebied. Gebieden die onder brakke condities zijn ontstaan en naderhand zijn verzoet, zijn veelal minder gevoelig voor de effecten van verzilting dan gebieden met een zoete ontstaansgeschiedenis. Brakke waterbodems bevatten bijvoorbeeld veel ijzergebonden zwavel en weinig ijzergebonden fosfor, waardoor bij verzilting weinig fosfor wordt nageleverd. In zoete waterbodems is het aandeel ijzergebonden fosfor hoger en kan er door zwavelreductie meer nalevering plaatsvinden. Een organische sliblaag of een veenbodem versterkt deze effecten vaak.
Ook op terrestrische bodems maakt de bodemsamenstelling uit voor hoe een gebied reageert op verzilting of verzoeting. Kleibodems kunnen bij verzilting structuurschade oplopen door natriumionen, wat leidt tot verminderde doorlaatbaarheid en bewerkbaarheid. Bij bodems met een laag waterbergend vermogen, weinig infiltratie en een kleine veldcapaciteit is de verziltingsschade groter. Voor veenbodems is nog onduidelijk of zout water veenafbraak versnelt of juist vertraagt.
Invloed op biologie - stress bij soorten en gewassen
Hydrologische en biogeochemische veranderingen beïnvloeden biologische processen en kunnen stress veroorzaken bij soorten en gewassen. Bij verzilting vermindert op korte termijn de blad- en wortelgroei, terwijl op lange termijn zoutophoping kan leiden tot toxische effecten en sterfte. De tolerantie voor veranderingen van het zoutgehalte (en andere aan verzilting gerelateerde toxische stoffen, zoals sulfide) is soortspecifiek en kan ook (sterk) verschillen per levensstadium. Zowel voor individuele soorten als voor levensgemeenschappen en gewassen is over de mate van tolerantie nog onvoldoende bekend.
Effecten van zoet-zoutdynamiek op natuur en landbouw
Aquatische natuur komt vaak als eerste in aanraking met verzilting of verzoeting, bijvoorbeeld via inlaatwater of kwel. Zout oppervlaktewater kan vervolgens via infiltratie uit watergangen of na inundatie de bodem binnendringen en daar (semi-) terrestrische vegetatie beïnvloeden. In de landbouw spelen verziltingseffecten vooral bij irrigatie met zouter water of toenemende brakke of zoute kwel. Hieronder worden de belangrijkste effecten van zoet-zoutdynamiek op aquatische en terrestrische natuur en landbouw besproken (afbeelding 1).

Afbeelding 1. Belangrijkste eigenschappen die een invloed uitoefenen op de zoet-zoutdynamiek in een beheergebied, uitgesplitst naar algemene eigenschappen, eigenschappen specifiek voor de landbouw en natuur, en overige eigenschappen
Aquatische natuur
Door, al dan niet gereguleerde, inlaat en kwel kan het oppervlaktewater verzilten (of verzoeten). Daarbij spelen factoren als duur, zoutgehalte en frequentie van de zout- of zoetpuls een rol, in combinatie met bodemkenmerken. Dit kan leiden tot eutrofiëring of sulfide- en ammoniumtoxiciteit. Organisch rijke bodems, zoals sliblagen en veenbodems, zijn hier het meest gevoelig voor. Ook het seizoen is belangrijk: in het voorjaar, wanneer waterplanten kiemen en opkomen, is het risico op schade door verzilting het grootst (tabel 1). Vissen reageren over het algemeen pas op verzilting vanaf circa 1 g Cl/l en kunnen wegzwemmen als ze uitwijkmogelijkheden hebben; effecten zijn dus sterker in geïsoleerde wateren.
Belangrijke factoren voor het inschatten van effecten op aquatische natuur zijn het bodemtype, de ontstaansgeschiedenis, de eigenschappen van de zout- of zoetpuls en de verbinding met omliggende wateren. Hoewel er al globale grenswaarden bekend zijn, bestaan er nog aanzienlijke kennisleemten (zie kader 3).
Tabel 1. Risico-inschatting van het type ‘zoet water (<300 mg Cl/l)’ voor verschillende maten van verzilting op verschillende momenten in het jaar. Een ‘zoutpuls’ doelt op een (tijdelijke) verstoring van het zoutgehalte. Grenswaarden en risico’s naar deskundigenoordeel van Van Geest Ecologie en B-WARE. In alle overige gevallen voor ‘zoet water (<300 mg Cl/l)’ is het risico ‘klein’. Voor andere typen water, zie kennisrapportage en afwegingskader
| Periode | Zoutpuls | Risico | Onderbouwing |
| voorjaar | > 300 mg CL/l | zeer groot | kwetsbare levensfae van organismen; sterfte van soorten; oplading waterbodem met zout |
| zomer | 300 - 3.000 mg CL/l | groot | sterfte van soorten; oplading waterbodem met zout; afname waterplanten |
| zomer | > 3.000 mg Cl/l | zeer groot |
sterfte van soorten; oplading waterbodem met |
| winter | 300 - 3.000 mg Cl/l | gemiddeld | oplading waterbodem met zout |
| winter | > 3.000 mg Cl/l | groot | sterfte van soorten; oplading waterbodem met zout |
Terrestrische natuur
Door gereguleerde of natuurlijke inlaat en kwel kan geleidelijke of acute verzilting of verzoeting optreden. Bij terrestrische natuur gebeurt dit vaak via het oppervlaktewater, waarbij factoren als slootdichtheid, bodemweerstand en verblijftijd bepalend zijn voor de impact. Sommige gevoelige natuurtypen, zoals H6410 Blauwgraslanden (tabel 2), zijn afhankelijk van bevloeiing. Het risico van bevloeiing met te zout water (> 150 mg Cl/l) moet daarbij worden afgewogen tegen de voordelen van een verhoogd slootpeil in droge perioden ter voorkoming van verdroging en veenafbraak.
De gevoeligheid van terrestrische natuur hangt af van de kwaliteit van het natuurtype. Hoogwaardige typen met veel zeldzame soorten zijn gevoeliger, maar herstel is vaak beter mogelijk; bij lage kwaliteit is het omgekeerde het geval. Belangrijke parameters zijn dus de natuurkwaliteit, de noodzaak tot bevloeiing, de bodemgeschiedenis en de kenmerken van de zout- of zoetpuls, al bestaan er nog aanzienlijke kennisleemten (zie kader 2).
Tabel 2. Voorbeelden van grenswaarden voor zoutgehalte in mg Cl/l bij verzoeting en verzilting van N2000 habitattypen. Minder kritieke grenswaarden zijn aangegeven tussen haakjes. Grenswaarden naar deskundigenoordeel Witteveen+Bos. Voor de volledige lijst, zie kennisrapportage en afwegingskader [1]
| Natuurdoel (Natura2000-habitattypen) |
kritieke grens verzoeting (mg CL/l) |
kritieke grens verzilting (mg CL/l) |
Toelichting |
| H1320 - Slijkgrasvelden | 3.000 | n.v.t. | |
| H1330_B - Schorren en zilte graslanden (binnendijks) |
1.000 | n.v.t. | |
| H6430_B - Ruigeten en zomen (harig wilgenroosje) |
n.v.t. | 10.000 | |
| H6510_B - Glanshaver- en vossenstaart-hooilanden (grote vossenstaart) |
n.v.t. | 300 | |
| H2140_A - Duinheiden met kraaihei (vochtig |
n.v.t. | 150 (300) | grens 300: 20AB04 |
Landbouw
Irrigatie met verzilt oppervlaktewater is een belangrijke bron van verzilting, maar verzilting van de bodem kan ook optreden door hoge kweldruk en capillaire opstijging. Brakke kwel speelt vooral een rol tijdens droogte, wanneer beregening beperkt is en verzilting van water en bodem kan optreden. Door verzilting van de wortelzone of irrigatie op het blad, kan blad- en vruchtschade optreden. De gevoeligheid van gewassen voor zout varieert per soort en groeistadium.
Effecten zijn het kleinst bij goed doorlatende bodems met een laag kleipercentage (tabel 3) of een sterk klei-humuscomplex en veel organische stof, en bij beperkt gebruik van zouter irrigatiewater. Voor een goede beoordeling zijn het type gewas, het volume en zoutgehalte van het irrigatiewater en de bodemstructuur bepalend.
Tabel 3. Maximale EC-waardes (en bijpassende Cl-gehaltes) voor irrigatiewater op basis van bodemtextuur. Grenswaarden naar deskundigenoordeel The Salt Doctors
| Bodemtextuur (% klei) |
Grondsoort | Zouttolerantie | Maximaal EGV irrigatiewater (dS/m) |
Maximaal Cl-gehalte (mg Cl/l) |
| fijn (>30% klei) |
lichte tot zware klei |
gevoelig matig tolerant tolerant |
2,0 3,0 4,5 |
400 750 1.250 |
| matig fijn (20-30% klei) |
zware zavel, lichte klei |
gevoelig matig tolerant tolerant |
2,5 5,5 8,0 |
550 1.600 2.600 |
| matig grof (10-20% klei) |
lichte tot zware zavel |
gevoelig matig tolerant tolerant |
3,0 7,0 8,5 |
750 2.200 2.800 |
| grof (<10% klei) |
zand tot lichte zavel |
gevoelig matig tolerant tolerant |
3,0 8,0 10,0 |
750 2.600 3.400 |
|
3. Kennisleemtes over effecten van zoet-zout dynamiek Onbekende milieuranges van soorten en gewassen Gebrek aan goede metingen Onvoldoende inzicht in hersteltijd Effecten van verzilting versus verdroging nog onduidelijk |
Afwegingskader ‘Hoe om te gaan met zoet-zoutdynamiek’
Bij afwegingen rond de zoet-zoutdynamiek is het belangrijk om zowel de impact op landbouw als die op natuur mee te nemen. Hiervoor is een afwegingskader ontwikkeld (afbeelding 2), gebaseerd op beschikbare kennis, met oog voor de bestaande kennislacunes (kader 3). Het afwegingskader biedt (1) inzicht in de doorwerking van zoet-zoutdynamiek op landbouw en natuur en (2) handvatten voor een meer uniforme beleidsvorming tussen waterschappen.
Het afwegingskader richt zich op de risico’s van verzilting en verzoeting, afhankelijk van onderscheidende parameters zoals ontstaansgeschiedenis, abiotische en biotische kenmerken, en de kwaliteit van inlaat- en irrigatiewater. Via stroomschema’s (bijv. voor landbouw zoals in afbeelding 3) worden risico’s in kaart gebracht voor onder andere doelgewassen, KRW-doeltypen, NNN-beheertypen en Natura2000-habitattypen.
Het afwegingskader probeert om ook met minimale invoer risico’s te bepalen, maar hoe meer gegevens worden ingevoerd, hoe vollediger de resultaten zijn. De invoer en interpretatie van de risicobepalingen vereist specialistische kennis, van bijvoorbeeld agrariërs en ecologen. Het afwegingskader maakt het mogelijk om scenario’s te verkennen (bijvoorbeeld een huidige en een toekomstige situatie of een vergelijking tussen waterbeleid en werkelijke situatie). Zo ondersteunt het afwegingskader het opstellen van een redeneerlijn in het waterbeheer.
Daarnaast biedt het kader aanknopingspunten voor een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA), waarin zowel economische als intrinsieke waarden van landbouw en natuur worden meegewogen. Mogelijke kosten zijn onder andere ecosysteemschade, landbouwverliezen en schade aan infrastructuur.
Afbeelding 2. Voorbeeld van tabblad 1. Algemeen, van het afwegingskader. Er zijn invoertabbladen (groen), een dashboard met een samenvatting van de risico’s (blauw) en risicoleggers die verdere onderbouwing geven van de risico’s op het dashboard (paars)

Afbeelding 3. Stroomdiagram voor de beoordeling van het zoutgehalte voor de gebruiksfunctie landbouw. Blauw: benodigde invoerparameters. Wit: stappen die in het afwegingskader worden doorlopen. De inkomende pijlen geven aan welke invoer nodig is voor elke vraag. De uitkomst van de witte blokken bepaalt hoe het stroomschema verder wordt doorlopen.
Conclusie en aanbevelingen
De zoet-zoutdynamiek heeft ingrijpende effecten op zowel natuur als landbouw, die in de toekomst door klimaatverandering en een toenemende watervraag zullen toenemen. Het ontwikkelde afwegingskader biedt een eerste kwantitatieve inschatting van deze risico’s, op basis van systeemspecifieke kenmerken en beschikbare kennis. Het ondersteunt daarmee beleidsmakers bij het maken van onderbouwde keuzes in het waterbeheer. Hoewel het kader belangrijke inzichten biedt, blijven aanvullende metingen en onderzoek nodig om kennisleemtes, zoals de zouttolerantie van soorten en hersteltijd na verzilting of verzoeting, aan te vullen.
Met het afwegingskader hopen we water- en terreinbeheerders een eerste versie van een praktisch toepasbaar instrument te hebben verschaft. Het afwegingskader is te vinden op https://www.stowa.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie/van-kennis-naar-praktijk/kennisprogramma-droogte#3744. Dit instrument kan verbeterd worden op basis van nieuwe inzichten en ervaringen.
| Samenvatting De droogte van de afgelopen jaren en de gevolgen van klimaatverandering zorgen voor een groeiende vraag onder waterbeheerders, natuurbeheerders en agrariërs hoe om te gaan met zoet en zout water. Zo is onduidelijk bij welke mate van verzilting of verzoeting schade aan natuur en landbouw optreedt en wat de hersteltijd is na schade. Dit artikel beschrijft het afwegingskader zoet-zoutdynamiek. Dit kader kwantificeert de effecten van verzilting en verzoeting op de natuur en landbouw systeemspecifiek en dient hiermee als hulpmiddel voor het maken van beheer- en beleidskeuzes. |
REFERENTIES
1. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (2025). Rapport 2025-11: Kennisrapportage beschikbare kennis inclusief beschrijving huidig functioneren.
https://www.stowa.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie/van-kennis-naar-praktijk/kennisprogramma-droogte#3744
2. STOWA (2025). Rapport 2025-12: Huidige beheerpraktijk.
https://www.stowa.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie/van-kennis-naar-praktijk/kennisprogramma-droogte#3744
3. STOWA (2025). Afwegingskader zoet-zout.
https://www.stowa.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie/van-kennis-naar-praktijk/kennisprogramma-droogte#3744
4. STOWA (2025). Beslisboom STOWA afwegingskader zoet-zout in relatie tot inlaat en droogte.
https://www.stowa.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie/van-kennis-naar-praktijk/kennisprogramma-droogte#3744
5. STOWA (2025). Tutorial afwegingskader zoet-zout (2025).
https://www.stowa.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie/van-kennis-naar-praktijk/kennisprogramma-droogte#3744
6. Deltares (2025). Conversion EC to Chloride.
https://publicwiki.deltares.nl/display/ZOETZOUT/Conversion+EC+to+Chloride
7. De Vos, A.C. et al. (2016). Crop salt tolerance under controlled field conditions in The Netherlands, based on field trials conducted by Salt Farm Texel. 39 pp.
8. Boeren Meten Water (2025). EC-tabel schetst zouttolerantie, https://boerenmetenwater.nl/ec-tabel-schetst-zouttolerantie/
9. Van Dam A.M. et al. (2007). Deelrapport leven met zout water. PPO nr 3234019400.
10. Cultuurtechnisch Vademecum (1988). https://library.wur.nl/WebQuery/hydrotheek/288191
11. Seitzinger, S.P., Gardner, W.S. & Spratt, A.K. (1991). ‘The effect of salinity on ammonium sorption in aquatic sediments: implications for benthic nutrient recycling’. Estuaries, 14, pp.167-174.
12. Hoag, R.S. & Price, J.S. (1997). ‘The effects of matrix diffusion on solute transport and retardation in undisturbed peat in laboratory columns’. Journal of Contaminant Hydrology, 28(3), pp.193-205.
13. Van Dijk, G. et al. (2015). ‘Salinization of coastal freshwater wetlands; effects of constant versus fluctuating salinity on sediment biogeochemistry’. Biogeochemistry. https://doi.org./10.1007/s10533-015-0140-1.
14. Herbert, E.R. et al. (2015). ‘A global perspective on wetland salinization: ecological consequences of a growing threat to freshwater wetlands’. Ecosphere, 6(10), pp.1-43.
15. Van Dijk, G. et al. (2019). ‘Salinization lowers nutrient availability in formerly brackish freshwater wetlands; unexpected results from a long-term field experiment’. Biogeochemistry. https://doi.org/10.1007/s10533-019-00549-6.
16. Van Geest, G.J. et al. (2022). Systeemkennis brakke wateren (No. 2022-39). STOWA.
17. Van Geest, G., Smolders, F., Roelofs, J. (2025). Waterplanten en waterkwaliteit. STOWA , Uitgeverij Noordboek Natuur, Gorredijk Nederland.
18. STOWA (2024). Afwegingskader inlaat gebiedsvreemd water voor de natuur plus inhoudelijke onderbouwing. STOWA-rapport 2024-35 https://www.stowa.nl/publicaties/afwegingskader-inlaat-gebiedsvreemd-water-voor-natuur-plus-inhoudelijke-onderbouwing-rapport