Het werk van de waterschappen wordt steeds duurder. Rond 2050 zijn de kosten naar verwachting verdubbeld en de heffingen dus ook, nog los van de inflatie. Dat vraagt om een nieuw narratief rond waterschapsbelasting, aldus een onderzoek in opdracht van de Unie van Waterschappen.
De afgelopen jaren zagen veel waterschappen zich al genoodzaakt de tarieven te verhogen vanwege de toegenomen kosten. Die zullen de komende jaren verder stijgen, zo blijkt uit een analyse van onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF). Vooral de vervanging van verouderde infrastructuur zal dan zwaar op de begroting drukken.
Gemiddeld zullen de exploitatiekosten voor deze ‘assets’ rond 2050 met 51 procent zijn toegenomen ten opzichte van 2029. Daarnaast zullen de kosten voor nieuwe inhoudelijke ontwikkelingen, zoals klimaatadaptatiebeleid, met 31 procent stijgen. Dat zorgt voor een totaal van 82 procent, exclusief inflatie.

Floor Wissing-Kunst"Het is geen exacte voorspelling, maar het beeld is wel duidelijk", zegt bestuurslid Floor Wissing-Kunst van de Unie van Waterschappen. "Grofweg kun je zeggen dat de kosten verdubbelen, waarbij 60 procent naar vervanging gaat en 40 procent naar de rest. Daar willen we met elkaar het gesprek over aangaan."
Eerste stap
Op dit moment staan de financiën van de waterschappen er volgens de Unie nog goed voor. Tegelijk is wel duidelijk dat de opgaven alleen maar toenemen, en als gevolg daarvan de investeringen. De vraag is dan hoe die financiële positie zich ontwikkelt en of die op de langere termijn ‘robuust’ genoeg blijft.
Om daar meer zicht op te krijgen, vroeg de Unie de onderzoekers van AEF die ontwikkeling in kaart te brengen. Op basis van de onderzoeksresultaten willen de gezamenlijke waterschappen een plan ontwikkelen om hun huishoudboekje ook in de toekomst op orde te houden.
Voor de meeste waterschappers zal het geen verrassing zijn dat de uitgaven de komende 25 jaar fors zullen stijgen, erkent Wissing-Kunst, portefeuillehouder financiën bij de Unie. "Maar we weten nu wel beter waar het geld naartoe gaat en waar we eventueel kunnen bijsturen. Dit is de eerste stap."
Rioolwaterzuiveringen
Het gaat om de noodzakelijke vervanging van waterinfrastructuur, zoals rioolwaterzuiveringen en gemalen. Een groot deel daarvan is in de jaren zeventig van de vorige eeuw kosteloos overgenomen of met subsidie gebouwd, waardoor de afschrijvings- en rentelasten lange tijd laag bleven.
Daarnaast krijgen de waterschappen te maken met nieuwe ‘inhoudelijke’ ontwikkelingen, waarvan AEF de groei van de opgave van het Hoogwaterbeschermingsprogramma, klimaatverandering en -adaptatie en de waterzuivering (zowel kwaliteitseisen als bevolkingsgroei en verstedelijking) als belangrijkste noemt.
Volgens het onderzoeksbureau is er geen sprake van een kortdurende piek, maar zullen de hogere investeringen op lange termijn een blijvende realiteit vormen. Het is dan ook zaak om een nieuw narratief te ontwikkelen en belastingbetalers uit te leggen waarom er een ‘nieuw normaal’ moet ontstaan rond waterschapsbelasting.
Eerlijk spreiden
"Dat is geen fijne boodschap", zegt Wissing-Kunst. "Maar het is ook niet zo dat er volgende maand al een dubbele aanslag op de mat ligt. We gaan de kosten eerlijk spreiden over de generaties. Maar we vinden het belangrijk om dit naar buiten te brengen, want we zullen het met elkaar moeten doen."
De komende maanden staat het onderzoek op de agenda van alle commissies en de ledenvergadering van de Unie. Wissing-Kunst roept de 21 waterschappen ook op hierover in gesprek te gaan met hun besturen en partners. Dat moet dit najaar een plan opleveren voor de ‘financiële robuustheid’ van de sector.
Om de uitgaven te beperken, noemt de Unie alvast een aantal mogelijke maatregelen zoals: slimmer samenwerken binnen en buiten de sector, een bredere toepassing van innovaties en circulaire oplossingen en onderzoek naar optimalisaties in het belastingstelsel, bijvoorbeeld via het principe ‘de vervuiler betaalt’.