Bij veel woningbouwprojecten wordt nu de impact van een kortdurende piekbui op water en bodem meegenomen. Voor langdurige (piek)buien bestaan nog geen normen. Een casus in Diemen toont de dilemma’s en laat zien dat zo’n landelijke norm niet altijd tot goed uitvoerbare analyses en werkbare maatregelen leidt.
Geschreven door Martijn van Genderen (BPD Gebiedsontwikkeling), Arnold van ’t Veld (Merosch), Luc Ponsioen (HydroTwin Engineering, Red&Blue Program)
Download hier de pdf van dit artikel.
Nederland staat voor een enorme woningbouwopgave: tot 2030 moeten er jaarlijks 100.000 woningen, en bijbehorende voorzieningen, worden gerealiseerd. Tegelijkertijd vraagt het klimaat om robuuste, toekomstbestendige watersystemen, waar de woonwijken in komen te liggen.
De Woontopafspraak 10.2 uit 2024 beoogt landelijke eenduidigheid voor water en bodem bij woningbouw. Hoewel het nog geen landelijke standaard is, wordt bij veel woningbouwprojecten de impact van een kortdurige piekbui, van bijvoorbeeld 70 mm per uur, al wel meegenomen. Maar wat als bij elk woningbouwproject ook langdurige (piek)buien van bijvoorbeeld 120 mm per 24 uur en 130 mm per 48 uur mee moeten worden genomen?
Zo’n landelijke norm leidt niet altijd tot goed uitvoerbare analyses en werkbare maatregelen. Is het, bijvoorbeeld, niet veel eenvoudiger om het ‘1:100-peil’ (het waterpeil bij buien die eens in de 100 jaar voorkomen) als ‘norm’ aan te houden voor het bouwpeil? Of ‘iets’ daarboven? En is de informatie over dit peil eenvoudig te achterhalen voor een beoogde woningbouwlocatie? Het ontbreekt nu nog aan voldoende breed inzicht in de mogelijke impact van een dergelijke landelijke normering van wateroverlast, met langdurige piekbuien, op verschillende woningbouwprojecten, in verschillende water- en bodemsystemen.
De landelijke discussie over uniforme normen voor wateroverlast bij woningbouwprojecten is in volle gang. Een analyse van bouwproject Holland Park West in Diemen laat zien hoe lastig het voor projectontwikkelaars en bouwers (en wellicht ook gemeenten en waterschappen) is om landelijke kaders praktisch en uitvoerbaar te maken. Het roept de vraag op of een dergelijke landelijk kader altijd nodig is en woningbouw niet onnodig compliceert en vertraagt.
Woontopafspraak 10.2 en de zoektocht naar eenduidigheid
Bij woningbouw moet rekening worden gehouden met water en bodem, zo is afgesproken in het regeerakkoord van het demissionaire kabinet en uitgewerkt in de Woontopafspraken van december 2024. In afspraak 10.2 is vastgelegd dat er behoefte is aan uniforme kaders en werkwijzen voor bouwen in gebieden waar opgaven op het gebied van water en bodem spelen [1]. Dit moet zorgen voor duidelijkheid, minder regeldruk en daardoor versnelling van woningbouwprojecten.
Een van de grootste knelpunten is de discussie over een landelijke, uniforme afspraak hoe bij woningbouwprojecten moet worden omgegaan met piekbuien. De provinciale normering voor regionale wateroverlast zou goed moeten werken, maar blijkbaar wordt dat niet zo ervaren. Waterschappen, provincies en gemeenten hebben tot nu toe niet duidelijk gemotiveerd waarom de huidige normering niet voldoet.
Gemeenten en waterschappen hanteren, naast normering van peilen, uiteenlopende definities van piekbuien: van 40 mm per uur (kortdurende bui) tot 90 mm of meer per 24 uur. De roep om landelijke normering is groot, maar de praktijk blijkt weerbarstig.
Zo zijn er nog diverse technische vragen onbeantwoord: wat wordt er nu precies genormeerd? Als al het water van een piekbui in een nieuwbouwwijk geborgen moet worden, betekent dat dan ‘berging boven het normale waterpeil’, of ‘boven een ander peil’? En mag de bui de grond in trekken, of wordt er verondersteld dat de grond verzadigd is? En stel dat er in de buurt van de wijk een waterbergingsgebied is, of zal worden gerealiseerd, of er een extra gemaal wordt geplaatst. Ontlast dat dan de nieuwbouwwijk? En gaat men uit van een maalstop tijdens een 24/48-uurs piekbui?
Huidige situatie: geen uniforme norm
Nederland kent verschillende neerslagregimes, met regionale verschillen tot 30% in piekbuien. Hanteren we dan een landelijke normbui die overal hetzelfde is, of worden die piekbuien regionaal afgeleid? In de praktijk hanteren waterschappen en gemeenten uiteenlopende normen, vaak gebaseerd op lokale ervaringen en beleidsafspraken. Zo moet in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) 50 mm van een 70 mm per uur-bui verwerkt worden, terwijl Hoogheemraadschap van Rijnland de 90 mm per 24 uur-regel toevoegt aan eventueel bestaand gemeentelijk beleid [1]. Bij andere grote gebiedsontwikkelingen wordt op verzoek van Rijnland ook een piekbui van 120 mm per 24 uur meegenomen in het ontwerp.
Gemeenten hebben een zorgplicht voor hemelwater. Dit houdt in dat bij een piekbui van één uur (voorheen 20 mm per uur zonder water-op-straat, nu vaak ook 70 mm per uur zonder schade) schade aan privéterrein door water uit de openbare ruimte moet worden voorkomen (en van particulier terrein als de eigenaren afstroming redelijkerwijs niet kunnen voorkomen). Deze zorgplicht betekent niet dat de gemeente altijd aansprakelijk is. Om het risico van schade te verkleinen heeft de gemeente, als het goed is, regels vastgelegd in het Omgevingsplan (voorheen de Hemelwaterverordening).
Waterschappen zijn verantwoordelijk voor het voorkomen van inundatie vanuit oppervlaktewater, volgens de systematiek Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Dit is gebaseerd op de kans dat een grondgebruik onderloopt door peilstijging van het oppervlaktewater, niet op een vaste hoeveelheid neerslag. Deze systematiek wordt al decennia toegepast en biedt een eenduidig kader voor zowel bestaande als nieuwe gebieden [5]. Om het risico van inundatie te verkleinen hebben de waterschappen regels vastgelegd in de Waterschapsverordening (voorheen de Keur).
Toch is er, gelet op ontwikkelingen in regionale convenanten en de Nationale Maatlat voor klimaatadaptief bouwen, een groeiende wens om voor nieuwbouw een aanvullende landelijke normbui vast te stellen, als extra criterium voor klimaatbestendig bouwen. De vraag is of dit efficiënt en werkbaar is, nu er al een goed werkend normeringssysteem bestaat.
Een nieuwe landelijke norm: het 1:100-scenario
In het kader van de Landelijke Maatlat en het Ruimtelijk Afwegingskader [4] hebben de Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg voorgesteld om voor wateroverlast ook uit te gaan van een langdurige bui met een herhalingstijd van 1:100 jaar, volgens het meest recente KNMI-scenario (nu 2023, scenario hoog), op zichtjaar 2100. Voor woningbouw betekent dit rekenen met buien van 120 mm per 24 uur én 130 mm per 48 uur, bovenop de vaak in de praktijk toegepaste 70 mm per uur [6]. In het vervolg van dit artikel worden deze afgeronde neerslagstatistieken toegepast. Strikt genomen zijn de neerslagstatistieken iets anders, zoals 71 mm per uur, 122 per 24 uur en 131 mm per 48 uur.
Het doel is geen aanzienlijke schade aan woningen, infrastructuur en voorzieningen bij deze buien, en geen achteruitgang van het natuurlijk waterbergend vermogen. De uitwerking vindt plaats via STOWA-statistieken en wordt regionaal verfijnd [2].
Deze benadering sluit aan bij het principe van ‘water en bodem sturend’ en het streven naar landelijke eenduidigheid. Maar de vraag blijft: hoe werkbaar is deze norm in de uitvoering? En wat voegt dit toe aan de bestaande systematiek voor provinciale normering voor regionale wateroverlast?
Casus Diemen: Holland Park West
Om de gevolgen van de nieuwe norm te verkennen, is de gebiedsontwikkeling Holland Park West in Diemen geanalyseerd (zie afbeelding 1). Het project is ongeveer 4,3 hectare groot, waarvan 71 procent verhard oppervlak. De analyse richtte zich op de vraag of het gebied voldoet aan de nieuwe normen voor piekbuien van 120 mm per 24 uur en 130 mm per 48 uur. Het gebied is ontworpen op ‘geen schade bij een bui van 70 mm per uur’, met ten minste 50 mm waterberging op privaat terrein.
Afbeelding 1. Dwarsdoorsnede Holland Park West met appartementencomplexen, halfverdiepte parkeergarage en watergang in het midden
Maatregelen in het ontwerp
Het ontwerp van Holland Park West bevat drie typen maatregelen:
- Polderdaken: op de gebouwen en parkeergarages zijn polderdaken aangelegd met een bergingscapaciteit van 96 mm met automatisch gestuurde afvoer. Dit is ruim voldoende voor de 70 mm per uur-bui (zie afbeelding 2).
- Water op straat: op alle bestrating kan tijdelijk minimaal 5 cm water komen te staan, zonder dat direct schade optreedt.
- Oppervlaktewater: minimaal 10 procent van het verhard oppervlak is als extra oppervlaktewater aangelegd als compensatie van verhard oppervlak, conform de eisen van het waterschap.
Afbeelding 2. Afwateringsplan van de polderdaken
Op privaat terrein is een bergingscapaciteit beschikbaar van 2.256 m3 die is aangelegd voor de 70 mm/uur-bui. Bij een peilstijging van 0,5 meter in het oppervlaktewater (ten opzichte van het winterpeil/zomerpeil) is de totale bergingscapaciteit 3.852 m³. Dat is precies gelijk aan de opgave voor een piekbui van 120 mm per 24 uur. Bij een peilstijging van 0,75 meter kan zelfs een bui van 130 mm per 48 uur worden opgevangen zonder dat water de woningen binnendringt. Dit geldt ook bij een peilstijging tot 1,0 meter en een bui van 150 mm per 48 uur (1:250-scenario) [1]. Deze peilstijgingen leiden niet tot wateroverlast in het plangebied.
De vraag is echter ook wat het effect is op de rest van de grote Venneperpolder, waar dit woningbouwproject in ligt. Deze informatie zou openbaar moeten zijn, maar is dat nu niet. In dit geval duurde het ruim een maand voor het waterschap antwoord gaf.
Op basis van een maaiveldanalyse in GIS concludeert Waterschap Amstel, Gooi en Vecht dat bij 13 cm peilstijging het eerste pand kwetsbaar is (0-percentiel) en bij 58 cm het eerste percentiel (1% van de bebouwing mag onderlopen). Het waterschap schat in dat het eerste percentiel een realistischer beeld van de peilstijging geeft, waarbij schade kan optreden.
Resultaten
De analyse laat zien dat Holland Park West, met de gekozen maatregelen, voldoet aan de voorgestelde nieuwe landelijke norm voor piekbuien. Zelfs bij een extreme bui van 130 mm in 48 uur ontstaat vrijwel geen schade aan woningen of infrastructuur. De piekbui wordt via de daken en het openbaar gebied opgevangen in het oppervlaktewater.
Dilemma’s en discussie
De casus Diemen brengt een aantal dilemma’s en valkuilen aan het licht die ook worden benoemd in het eindrapport van de adviesgroep STOER [3] en de landelijke discussie:
1. Afwentelen of opslaan?
In Diemen is ervan uitgegaan dat alle neerslag lokaal wordt geborgen (in straat, wijk, omgeving), maar in werkelijkheid wordt ook een deel afgevoerd naar elders. Lokaal bergen vraagt ruimte en investeringen, maar voorkomt afwenteling van risico’s op andere gebieden. Maar wat als de risico’s in andere gebieden veel kleiner zijn dan de investeringen? Of als aanvullende maatregelen daar duurzamer zijn, goedkoper zijn of meer waarde creëren? In Diemen is genoeg ruimte voor maximale lokale berging, maar in andere gebieden kan dit tot spanningen leiden met omliggende functies.
2. Informatievoorziening
Het bepalen van de benodigde bergingscapaciteit vraagt om gedetailleerde informatie over het watersysteem. Tot welke peilstijging is redelijkerwijs geen schade te verwachten? Wat is het 1:100-peil? Waar zijn deze kaarten te vinden, of is deze informatie op te vragen? Deze informatie is niet altijd publiek beschikbaar en vereist vaak contact met het waterschap, met vertraging tot gevolg. Dit bemoeilijkt vroege planvorming en kan leiden tot misverstanden tussen partijen. In deze casus heeft het meer dan een maand geduurd voordat de gevraagde informatie beschikbaar was en de vraag over het 1:100-peil is onbeantwoord gebleven. Is het dan misschien beter om deze informatie algemeen, op een centrale plek beschikbaar te maken, of leidt dat wellicht tot misinterpretatie?
3. Vertraagde afvoer
De huidige normering voor ‘korte’ piekbuien gaat vaak uit van een zogenoemde ‘leeglooptijd’ van 60 uur voor bergingsvoorzieningen. Maar bij langdurige buien (48 uur) is deze periode langer. Er zijn nog geen duidelijke handvatten voor het omgaan met vertraagde afvoer bij verschillende buitypes.
4. Miscommunicatie en interpretatie van regels
In de praktijk van woningbouwprojecten van BPD blijkt dat eisen rondom waterberging vaak strenger worden geïnterpreteerd dan bedoeld, bijvoorbeeld door gemeenten die waterschapseisen verkeerd overnemen. Dit kan leiden tot overdimensionering, onnodige investeringen en onduidelijkheid over wat daadwerkelijk vereist is. Bij de casus Diemen is bij het toetsen aan 70 mm per uur bijvoorbeeld (bewust of onbewust) geen rekening gehouden met berging in oppervlaktewater. Maar met name daardoor treedt er juist geen schade op bij het toetsen aan 120 mm per 24 uur- en 130 mm per 48 uur-buien, als het oppervlaktewater wel wordt meegenomen.
Ontwikkelaars stellen zich nu proactief op door waar nodig de informatie op te vragen, maar dit zorgt voor vertraging en frustratie. Gemeenten en waterschappen hebben een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om de informatie hierover openbaar te publiceren. De Unie van Waterschappen heeft dit zelf ook gezegd bij openbare bijeenkomsten.
Conclusie: is landelijke normering voor piekbuien nodig?
De analyse van Holland Park West laat zien dat het meenemen van langdurige piekbuien uit het 1:100-scenario (120 mm per 24 uur, 130 mm per 48 uur) in theorie begrijpelijk is en in de praktijk zelfs (met veel rekenwerk) uitvoerbaar en toepasbaar kan zijn. Dit hangt echter ook af van de interpretatie van diverse criteria, waar nu nog geen eenduidigheid over bestaat. De benodigde informatie, ruimte en investeringen zijn bovendien niet altijd beschikbaar en de interpretatie van ‘de norm’ kan tot verwarring leiden.
Uit deze casus blijkt dat, met de juiste uitgangspunten en een slimme combinatie van gebouw- en gebiedsmaatregelen, zelfs bij extreme langdurige piekbuien geen schade ontstaat: er komt geen water de woningen in. Dit roept de vraag op of landelijke normering voor langdurige piekbuien altijd nodig is, of dat een gebiedsgerichte, flexibele aanpak meer oplevert.
De auteurs pleiten voor heldere uitleg, toegankelijke informatie en ruimte voor maatwerk. Landelijke normen kunnen richting geven, maar moeten niet leiden tot overdimensionering, onnodige complexiteit of belemmeringen voor woningbouw. Wat heeft de voorkeur: een technisch ‘perfect’ antwoord dat voor ieder woningbouwproject opnieuw moet worden berekend, afgeleid en getoetst, of een eenvoudig uitvoerbare standaardaanpak, zoals: ‘het bouwpeil is (minimaal) het 1:100-peil’, of ‘kan iedereen, met name gemeenten en waterschappen, op dezelfde manier met een dergelijke norm omgaan?’ Inzichten uit andere woningbouwprojecten, verspreid over verschillende regio’s en watersystemen, kunnen hier mogelijk een antwoord op bieden.
Vervolg
Later dit jaar worden de resultaten verwacht van meer cases uit Zuid-Holland en Oost-Nederland. Deze zullen worden gepresenteerd in vervolgartikelen
Samenvatting
De Woontopafspraak uit 2024 beoogt landelijke eenduidigheid voor water en bodem bij woningbouw. Bij veel woningbouwprojecten wordt nu de impact van een kortdurende piekbui meegenomen. Voor langdurige (piek)buien bestaan nog geen normen. Een casus in Diemen toont de dilemma’s en laat zien dat zo’n landelijke norm niet altijd tot goed uitvoerbare analyses en werkbare maatregelen leidt. De inzichten uit de casus in Diemen zijn zeer nuttig gebleken, maar laten ook zien dat meer vergelijkbare analyses gewenst zijn. Het ontbreekt nu nog aan voldoende breed inzicht over de mogelijke impact van landelijke normering van wateroverlast.
REFERENTIES
1. Volkshuisvesting Nederland (2024). Woontop 2024. Bouwen voor de woningzoekende: sneller én met minder regels. https://www.volkshuisvestingnederland.nl/documenten/2024/12/11/woontop-2024-bouwen-voor-de-woningzoekende-sneller-en-met-minder-regels-
2. Merosch en HydroTwin Engineering (2025). Analyse Landelijke Normen – Explore Diemen.
3. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (2019). Overal in Nederland, nu én in de toekomst: een actueel beeld van de kans op extreme neerslag. STOWA, 2019-19A brochure neerslagstatistieken
4. Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (2025). Eindrapport Adviesgroep Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (STOER)
5. Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Definitief rapport. HKV lijn in water, TAUW & Defacto Stedenbouw, september 2023
6. Standaard werkwijze voor de toetsing van watersystemen aan de normen voor Regionale Wateroverlast. STOWA, Royal Haskoning en Hydrologic, 2011-31, april 2011
7. Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (2024). Neerslagstatistiek KNMI’23. Neerslagstatistiek, -reeksen en -gebeurtenissen op basis van de kNMI’23 klimaatscenario’s. STOWA, 2024-37.