Klimaatverandering, de stikstofproblematiek, hybride dreigingen en een gebrek aan personeel, middelen en grondstoffen maken het werk van de uitvoeringsorganisaties van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) ‘niet makkelijker’. Dat schrijven demissionair minister Robert Tieman en staatssecretaris Thierry Aartsen in de Stand van de Uitvoering die gisteren aan de Tweede Kamer is aangeboden, ‘om knelpunten en uitdagingen in alle openheid te kunnen delen’.
Met de Stand van de Uitvoering wordt de Kamer geïnformeerd over de belangrijkste belemmeringen die de tien uitvoeringsorganisaties van IenW in hun taakuitvoering ervaren. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld financiering, complexiteit van wet- en regelgeving, en de mate van weerbaarheid voor geopolitieke grillen.
Structurele krapte op de arbeidsmarkt is voor meerdere uitvoeringsorganisaties een zorg. Over de volle breedte van IenW is er toenemende behoefte aan arbeidskrachten, maar ‘de arbeidsmarkt voor ingenieurs en technisch personeel is krap en de concurrentie met de private sector is groot’, aldus het rapport. Onder andere Rijkswaterstaat en het KNMI ervaren schaarste van technisch personeel op het gebied van ICT, waterbouw en het beheer van infrastructuur. De organisaties wijzen er bovendien op dat een verouderend medewerkersbestand dit tekort verder onder druk zet.
Een andere uitdaging die IenW-breed een zorg vormt is de toegenomen dreiging van sabotage en onvoorspelbaardere internationale betrekkingen, die hun weerslag hebben op informatiebeveiliging (cybersecurity), veiligheid van kritieke infrastructuur en financiën.
Rijkswaterstaat
‘Als we willen voorkomen dat Nederland fysiek en economisch vastloopt, is goede infrastructuur een vereiste. Helemaal nu de concurrentiepositie van Nederland en Europa verandert en de geopolitieke onrust vraagt om de weerbaarheid van Nederland te vergroten’, schrijft Rijkswaterstaat in haar aandeel van het rapport. Waterveiligheid is van levensbelang, benadrukt de dienst, voor een land dat voor 26 procent onder zeeniveau ligt en voor 60 procent overstromingsgevoelig is.
Goede infrastructuur is volgens Rijkswaterstaat echter niet meer vanzelfsprekend. De dienst staat momenteel voor de grootste instandhoudingsopgave die het in haar 225-jarige geschiedenis heeft meegemaakt. Het overgrote deel van de zogeheten kunstwerken die het beheert, zoals sluizen en bruggen, is namelijk rond dezelfde periode (in de jaren ‘50 tot ’80) gebouwd en bereikt daardoor ‘steeds sneller en massaal het einde van de levensduur’.
‘De conditie van de infraobjecten wordt zichtbaar en meetbaar (ontoelaatbaar) slechter’, en veel van deze objecten zijn niet berekend op de problemen van vandaag, aldus het rapport. Als voorbeelden worden genoemd ‘moedwillige dreigingen zoals hackers, militaire dreigingen, terrorisme en activisme’ en natuurlijke dreigingen door klimaatverandering, zoals overstromingen en langdurige droogte.
Het tempo van vernieuwing van infrastructuur ligt te laag, en wordt volgens Rijkswaterstaat geremd door andere grote transities op het gebied van energie, landbouw en woningbouw, die in dezelfde vijvers van schaarse grondstoffen, budgetten, stikstofruimte, fysieke ruimte en menskracht moeten vissen.
Gewezen wordt op buitenlandse voorbeelden waar ‘enorme aanvullende investeringen’ de consequentie waren van het te lang uitstellen van onderhoud. Ook Nederland zal die kant op gaan, waarschuwt de dienst, als er niet tijdig een stabiele en langjarig voorspelbare investeringsstroom komt.
KNMI
Ook het KNMI constateert dat het met steeds minder middelen dezelfde publieke waarde moet blijven leveren, en benoemt de tijdelijke bekostiging van structurele taken als risico voor de toekomstbestendigheid van het instituut. ‘Een combinatie van bezuinigingen en onverwachte tegenvallers kan snel leiden tot knelpunten’, constateren de meteorologen, ‘in het bijzonder in een tijd waarin investeringen nodig zijn in de instandhouding en ontwikkeling van meetinfrastructuren en in de ontwikkeling van weermodellen op basis van artificial intelligence naast de numerieke modellen’.
Daarnaast betreurt het KNMI de complexe wet- en regelgeving waar ze mee te maken heeft, en dan met name de tijd die het kost om deze aan te passen. Hierdoor loopt wet- en regelgeving achter op de praktijk, ‘terwijl het stelsel van een wet met zorgplichten voor de minister en een regeling met taken voor het KNMI juist bedoeld is om flexibel te kunnen zijn’.
Zo houdt het KNMI in de praktijk al rekening met de impact van het weer bij het afgeven van waarschuwingen zoals code geel en oranje, terwijl dit feitelijk nog niet door wet- en regelgeving wordt ondersteund. Ook is het proactief delen van waarschuwingen met andere overheidsorganen nog niet wettelijk \'verhelderd’. Dit kan een probleem gaan vormen wanneer er sprake is van veiligheidsrisico’s voor de samenleving, schrijft het instituut.
Het KNMI wijst erop dat het urgent is dat hier verandering in komt, want ‘de noodzaak om samen te werken en te allen tijde informatie te delen om effectief het publiek te kunnen informeren en waarschuwen bij gevaar, wordt in de praktijk alleen maar groter bij grilliger weer en vaker voorkomende extreem weer situaties door klimaatverandering’.
De eerstvolgende ‘Stand van de Uitvoering’ zal in 2027 aan de Kamer worden aangeboden.