In stedelijke gebieden lopen zo’n 1,8 miljoen Nederlanders een verhoogd risico op te warm drinkwater en daarmee een gezondheidsrisico. Tussen 1990 en 2023 lijkt de gemiddelde drinkwatertemperatuur met 0,05°C per jaar te zijn gestegen. Bij sterke klimaatverandering zullen de temperaturen verder stijgen, wat kan leiden tot langdurige en wijdverspreide normoverschrijding.
Download hier de pdf van dit artikel.
Geschreven door Karel As, Monique van der Aa, Robin van Leerdam (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)
Volgens het Nederlandse Drinkwaterbesluit mag de temperatuur van drinkwater uit de kraan niet hoger zijn dan 25°C. De belangrijkste reden hiervoor is dat een hogere temperatuur de groei kan stimuleren van opportunistische pathogenen in het leidingnet. Bekende voorbeelden van zulke pathogenen zijn onder meer Legionella pneumophila en Aspergillus fumigatus, die een risico kunnen vormen voor de volksgezondheid. Bovendien wordt warmer water als minder verfrissend ervaren en kan een hogere temperatuur de kleur, geur en smaak beïnvloeden. In het huidige klimaat wordt de temperatuurnorm voor drinkwater alleen sporadisch overschreden. Namelijk tijdens langdurige warme perioden.
Door klimaatverandering kan te warm drinkwater vaker voor gaan komen en in een groter gebied, laten modellen zien waarin de temperatuur van de bodem en het leidingwater zijn gesimuleerd [1].
De drinkwatertemperatuur in het distributienet hangt van verschillende factoren af. De belangrijkste zijn [2], [3]:
- de bodemtemperatuur op 1 meter diepte, de diepte waar distributieleidingen liggen
- de eigenschappen van het leidingnet (diameter en materiaal van de leiding, verblijftijd van het water)
- de gebruikte drinkwaterbron
In de praktijk betekent dit dat vooral de distributieleidingen in stedelijke wijken gevoelig zijn voor opwarming. Bodems onder versteend oppervlak zijn namelijk gevoeliger voor hitte. De bodemtemperatuur onder stenen verharding kan bijvoorbeeld wel 3°C tot 6°C hoger liggen dan onder gras en 5°C tot 8°C hoger dan onder een plantsoen [4]. In een opwarmend klimaat zouden dus in het bijzonder stadsbewoners blootgesteld kunnen worden aan hogere drinkwatertemperaturen.
Met het oog op klimaatverandering is het belangrijk de huidige drinkwatertemperaturen in Nederland te kennen. Er is echter relatief weinig bekend over de historische ontwikkeling van de drinkwatertemperaturen, de regionale verschillen en het aantal mensen dat mogelijk blootgesteld wordt aan te warm drinkwater. Om hiervan een beeld te krijgen is temperatuurdata uit de REWAB-database (Registratie Opgaven van Waterleidingbedrijven) geanalyseerd. Sinds 1990 worden hierin de resultaten van de wettelijk verplichte temperatuurmetingen aan de tap opgenomen. Daarnaast is gebruik gemaakt van de stedelijke hitte-eilandkaart [5] en de CBS-buurtenkaart [6] om een inschatting te maken hoeveel mensen in sterk stedelijke gebieden wonen en daarmee een verhoogd risico lopen op te warm drinkwater.
Drinkwatertemperatuur per leveringsgebied
De Nederlandse drinkwaterbedrijven rapporteren per jaar en per leveringsgebied de gemiddelde en de maximale temperatuur van het drinkwater. Nederland kent ongeveer 165 leveringsgebieden die veelal door één, maar soms ook door meerdere productiestations worden voorzien. Afbeelding 1 toont de gemiddelde- en maximumtemperatuur per leveringsgebied en drinkwaterbron, gemiddeld over de periode 2015 tot 2023. Voor alle leveringsgebieden waren gegevens beschikbaar, behalve de gebieden Hooge boom en Ossendrecht.
Afbeelding 1. Drinkwatertemperaturen, 2015 tot 2023, per leveringsgebied. (a) Gemiddelde temperatuur; (b) maximumtemperatuur. Viooldiagrammen van de temperaturen uitgesplitst naar brontype, met (c) gemiddelde temperatuur en (d) maximumtemperatuur
De data tonen dat de gemiddelde drinkwatertemperatuur voor de periode 2015 tot 2023 (afbeelding 1a) uiteenloopt van 11,9°C in het koudste leveringsgebied tot 14,6°C in het warmste. De koudste leveringsgebieden liggen veelal in Noord-Nederland en de warmste in West- en Zuidoost-Nederland. In de gemiddelde maximumtemperatuur (afbeelding 1b) is een vergelijkbare geografische spreiding te zien. De gemiddelde maximumtemperatuur is berekend op basis van de jaarlijks gerapporteerde waarde van 2015 tot 2023.
De gemiddelde jaarlijkse maximumtemperatuur kwam in drie leveringsgebieden boven de 25°C uit. Dit waren Andijk, Weesperkarspel en Kralingen, allemaal leveringsgebieden die door oppervlaktewater worden voorzien. Omdat het een gemiddelde over negen jaar betreft, betekent dit dat overschrijding van de temperatuurnorm een nagenoeg jaarlijks terugkerend verschijnsel is. In bijzonder warme jaren wordt de norm van 25°C ook in andere leveringsgebieden overschreden. Zo waren er in het warme en droge jaar 2018 temperatuuroverschrijdingen in maar liefst 25 leveringsgebieden.
De gemeten drinkwatertemperaturen kunnen verder worden uitgesplitst naar de gebruikte drinkwaterbron in het leveringsgebied (afbeelding 1c-d). Hierbij zijn vijf typen drinkwaterbronnen te onderscheiden:
- freatisch grondwater (69 leveringsgebieden)
- (semi-)spanningswater uit pakketten onder een afsluitende kleilaag (75 leveringsgebieden)
- oevergrondwater (6 leveringsgebieden)
- geïnfiltreerd oppervlaktewater (7 leveringsgebieden)
- oppervlaktewater uit spaarbekkens, of direct verwerkt (6 leveringsgebieden)
Mogelijk zijn er temperatuurverschillen tussen bronnen doordat oppervlaktewater wordt blootgesteld aan de luchttemperatuur, maar grondwater niet [3]. Het gewonnen oppervlaktewater kent hierdoor een grote temperatuurfluctuatie door het jaar heen, tussen 0°C en ongeveer 25°C. Het gewonnen grondwater daarentegen gaat met een stabiele, nagenoeg seizoens-onafhankelijke temperatuur het productieproces in. Afhankelijk van de bron is dit zo’n 10°C tot 14°C.
De gemiddelde drinkwatertemperaturen per drinkwaterbron verschillen weinig van elkaar (afbeelding 1c). Zo loopt de gemiddelde temperatuur slechts uiteen van 13,2°C (freatisch grondwater) tot 14,1°C (oppervlaktewater direct). Hoewel oppervlaktewater hogere maximumtemperaturen kent (afbeelding 1d) wordt het jaargemiddelde immers ook gedempt door lagere temperaturen in de winter.
De gemeten maximumtemperaturen laten wel grote verschillen zien. Zo lag de gemiddelde maximumtemperatuur in leveringsgebieden van freatisch grondwater (21,4°C) wel 3,4°C lager dan leveringsgebieden van oppervlaktewater (24,8°C). (Semi-)spanningswater (21,8°C), oevergrondwater (23,0°C) en geïnfiltreerd oppervlaktewater (23,5°C) zitten hier tussenin.
Opwarming drinkwater, 1991-2023
Over de periode 1991 tot 2023 zijn per leveringsgebied gemiddeld 255 metingen per jaar uitgevoerd (afbeelding 2). Het aantal temperatuurmetingen verschilde sterk per leveringsgebied en het aantal metingen is ook nagenoeg verdubbeld sinds 1991. Het aantal overschrijdingen van de temperatuurnorm in Nederland blijkt sterker te zijn toegenomen dan de meetfrequentie. Tussen 2017 en 2023 zijn gemiddeld 0,4 normoverschrijdingen per 1000 metingen gerapporteerd, terwijl dit er van 1991 tot 2016 slechts 0,1 was. Overschrijding van de temperatuurnorm is de laatste jaren dus vaker voorgekomen dan voorheen. Het zeer warme en droge jaar 2018 kende het hoogste aantal overschrijdingen (51) van de onderzochte periode, met 1,2 overschrijdingen per 1000 metingen.

Afbeelding 2. Gemiddeld aantal temperatuurmetingen per leveringsgebied en het aantal jaarlijkse overschrijdingen van de temperatuurnorm in heel Nederland (25°C) van 1991 tot 2023
Vervolgens is de temperatuurstijging per leveringsgebied voor de periode 1991 tot 2023 gekwantificeerd. Hierbij is een trendanalyse uitgevoerd op de gemeten gemiddelde en maximale drinkwatertemperatuur. Vanwege de vele fusies bij drinkwaterbedrijven en veranderde grenzen tussen leveringsgebieden, was het voor oudere metingen niet altijd goed te achterhalen in welk leveringsgebied ze afgenomen zijn. Bij onzekerheid zijn metingen daarom niet meegenomen. Verder zijn, om een undersampling bias te voorkomen, alleen jaren met meer dan 26 metingen per jaar meegenomen en moesten er in totaal minstens 18 jaren beschikbaar zijn voor het leveringsgebied.
Voor 90 van de 163 leveringsgebieden kon toen een trendanalyse worden uitgevoerd. Hiervoor zijn veelgebruikte statistische tests gebruikt die rekening houden met uitschieters in de data en controleren of gevonden trends niet op toeval berusten. Zo is de statistische significantie bepaald met de Mann-Kendall-test, waarmee significante trends te detecteren zijn in tijdsreeksen met mogelijke uitschieters. De grootte van de temperatuurverandering is bepaald met de Theil-Sen-trendbepaling. Deze is minder gevoelig voor uitschieters dan een gewone lineaire trendlijn. Ter beheersing van valse positieven die kunnen voorkomen bij meervoudige statistische testen, is voor de false discovery rate (FDR) gecontroleerd met de Benjamini-Hochberg-correctie (FDR=0,05).

Afbeelding 3. Temperatuurverandering in de leveringsgebieden van 1991 tot 2023 voor (a) de jaargemiddelde temperatuur en (b) de jaarlijkse maximumtemperatuur
Voor 39 van de 90 geanalyseerde leveringsgebieden kon een statistisch significante trend gevonden worden in de gemiddelde temperatuur (afbeelding 3a). Alle significante trends waren stijgend en de gemiddelde stijging tussen 1991 en 2023 was 0,05±0,03°C/jaar. Dat is vergelijkbaar met de stijging van de luchttemperatuur [7] en de bodemtemperatuur [8]. In de laatste drie à vier decennia stegen de bodem- en luchttemperatuur ongeveer 0,04°C/jaar. Voor de maximumtemperatuur (afbeelding 3b) werd voor 20 leveringsgebieden een significante trend gevonden. Alle significante trends waren, zoals verwacht, stijgend, met een gemiddelde stijging van 0,14±0,08°C/jaar.
De stijging van de maximumtemperatuur lijkt daarmee overwegend sterker te zijn dan de stijging van de gemiddelde temperatuur. Bij de sterkst stijgende trends valt echter op dat het aantal jaarlijkse metingen sterk is toegenomen (zie ook afbeelding 2). Zo verviervoudigde het aantal metingen in leveringsgebied Edese bos (trend +0,26°C/jaar) van gemiddeld 42 metingen per jaar tussen 2000 en 2010, naar 160 per jaar tussen 2010 en 2023. Voor leveringsgebied Bremerberg (+0,33°C/jaar) steeg het aantal van gemiddeld 52 metingen per jaar tussen 1991 en 2003, naar gemiddeld 213 per jaar na 2012. Mogelijk zijn maximumtemperaturen in eerdere jaren gemist door een lagere ruimtelijke- of tijdsresolutie in de metingen.
Waarschijnlijk zijn de daadwerkelijke maximumtemperaturen in veel leveringsgebieden vaker gemeten door de verhoogde meetfrequentie. Daardoor kan de gevonden trend hoger uit zijn gevallen dan de daadwerkelijke stijging in de maximale drinkwatertemperatuur. Het is aannemelijk dat de gevonden trend in maximumtemperatuur een overschatting is. Per jaar gaat het hier immers om slechts één gerapporteerde waarde. Het jaargemiddelde is hier minder gevoelig voor, omdat dat gebaseerd is op alle metingen per leveringsgebied per jaar (afbeelding 2).
Geschatte blootstelling aan verhoogde temperaturen
De locaties waar maximumtemperaturen zijn gemeten (afbeelding 1b) zijn niet noodzakelijkerwijs representatief voor het gehele leveringsgebied. Een leveringsgebied bestaat immers vrijwel altijd uit zowel landelijk als ‘versteend’ gebied. Deze gebieden warmen in verschillende mate op. Hoogstwaarschijnlijk zijn dan ook niet alle inwoners in een leveringsgebied blootgesteld aan de gerapporteerde maximumtemperatuur.
Ter benadering van de aanwezigheid van de warme punten in het leidingnet kan het stedelijk hitte-eilandeffect (UHI-effect voor Urban Heat Island in de internationale literatuur) worden gebruikt. Het UHI-effect is een goede indicator voor een verhoogde drinkwatertemperatuur, omdat in versteende gebieden behalve de lucht ook de drinkwaterleiding in de ondergrond sterker opwarmt [2], [4]. Om inzicht te krijgen in het aantal blootgestelde inwoners is de CBS-buurtenkaart [6] gecombineerd met de UHI-effectkaart [5].
Uit de UHI-kaart is, met zeer hoge resolutie, het gemodelleerde temperatuurverschil bekend tussen stad en omringend gebied voor juni tot en met augustus [9]. Het UHI-effect is vervolgens gemiddeld per buurt waarvan het aantal bewoners bekend is. Zo kon worden geschat hoeveel mensen een verhoogd risico hebben op een hogere drinkwatertemperatuur (afbeelding 4).

Afbeelding 4. UHI-effect in Nederland, met (a) gemiddelde UHI-effect op buurtniveau; (b) aantal bewoners per 0,5°C-tranche van het UHI-effect en de drinkwaterbron van het bijbehorende leveringsgebied
Het UHI-effect loopt uiteen van 0°C tot maximaal +2,6°C (afbeelding 4a). De grootste concentratie van hitte-eilanden bevindt zich zoals verwacht in de Randstad. De twee warmste buurten (+2,6°C) liggen in de binnenstad van Den Haag. Wat opvalt is dat naast de grote steden ook alle middelgrote steden een relatief sterk UHI-effect kennen, bijvoorbeeld de vele regionaal belangrijke steden en de Brabantse stedenrij. Soms telt zelfs een kleine stad als Rijssen (~30.000 inwoners in 2024) vier buurten met een UHI-effect van 1,5°C tot 2,0°C.
Door het aantal bewoners per 0,5°C-tranche op te tellen, is te zien dat bijna de helft van de Nederlandse bevolking (8,1 miljoen mensen) weinig tot geen UHI-effect ervaart (afbeelding 4b, 0°C tot 0,5°C). Het merendeel hiervan (85%) woont in grondwaterafhankelijke leveringsgebieden.
In matig verstedelijkte gebieden, met grof geschat een UHI-effect van 0,5°C tot 1,5°C, wonen in totaal 8,0 miljoen mensen. Hiervan woont 73% in grondwaterafhankelijke leveringsgebieden. In sterk verstedelijkte gebieden worden 1,8 miljoen mensen blootgesteld aan een UHI-effect van meer dan 1,5°C. Ook hiervan woont het merendeel (65%) in grondwaterafhankelijke leveringsgebieden.
De bodemtemperatuur is de belangrijkste factor die de drinkwatertemperatuur bepaalt [2]. Hiermee heeft naar verwachting dus ook het UHI-effect grote invloed op verhoogde drinkwatertemperaturen [1], [2]. Afbeelding 4b toont dat er veel grondwaterafhankelijke gebieden zijn met een sterk UHI-effect. Ook hier is een verhoogde drinkwatertemperatuur te verwachten. Toch worden normoverschrijdingen en de hoogste drinkwatertemperaturen hoofdzakelijk aangetroffen in de gebieden die door oppervlaktewater worden voorzien (afbeelding 1b, 1d). Dit suggereert dat de herkomst van het water, naast het UHI-effect, een rol speelt. Eerder onderzoek ondersteunt deze conclusie [3].
In het bijzonder lopen de ongeveer 650.000 inwoners van oppervlaktewater-afhankelijke buurten en met een sterk UHI-effect (>1,5°C) een verhoogd risico op te warm drinkwater. Mogelijk spelen echter ook verschillen in meetstrategie tussen drinkwaterbedrijven of in de stedelijke inrichting een rol. Het aantal van 650.000 inwoners kan gezien worden als een ondergrens van het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan te warm drinkwater. Zo kan, afhankelijk van de configuratie van het leidingnet, het te warme water zich mogelijk verder verspreiden. Bovendien zal in bovengemiddeld warme zomers ook in matig stedelijke gebieden de bodem verder opwarmen.
Van koud naar lauw naar warm drinkwater?
Op basis van de REWAB-database is hier een globaal beeld geschetst van de huidige toestand en de ontwikkeling van drinkwatertemperaturen in Nederland sinds 1991. De data in de REWAB-database kennen echter beperkingen. Zo worden per jaar enkel het aantal metingen, het aantal overschrijdingen en de gemiddelde en maximale drinkwatertemperatuur gerapporteerd.
Waar, wanneer en hoe lang hoge temperaturen zich voordoen, kan op basis van de REWAB-database niet herleid worden. Inzicht hierin is wel belangrijk om de mogelijke effecten op groei van opportunistische pathogenen en de volksgezondheid in beeld te brengen. Daarnaast is ook niet duidelijk welke verschillen er bestaan in meetstrategie qua timing en locatie, zowel tussen jaren als tussen verschillende drinkwaterbedrijven. Dit kan de vergelijkbaarheid tussen jaren en leveringsgebieden hebben beïnvloed.
Hoewel aanvullend onderzoek dus wenselijk is, blijkt het Nederlandse drinkwater de afgelopen decennia te zijn opgewarmd. Alle significante trends zijn stijgend. Bovendien zijn er enkele regio’s in West-Nederland waar overschrijdingen van de temperatuurnorm van 25oC al bijna jaarlijks voorkomen. In veel andere leveringsgebieden naderen de gemiddelde maximumtemperaturen de norm. Een stijging van de luchttemperatuur met enkele graden Celsius door klimaatverandering, leidt daarmee waarschijnlijk tot een grote toename van het aantal overschrijdingen.
In dat opzicht zijn de nieuwe KNMI-klimaatscenario’s relevant. Bij sterke klimaatverandering kunnen temperaturen sterk stijgen in 2050 (+2,1°C, Hd-scenario in de zomer) en 2100 (+5,1°C, Hd-scenario in de zomer) [10]. Bovendien toont dit en eerder onderzoek [1], [8] dat stijging van de luchttemperatuur waarschijnlijk zal doorwerken in de bodemtemperatuur en dus in de drinkwatertemperatuur. Bij sterke klimaatverandering zou overschrijding van de temperatuurnorm in 2050 wel een paar maanden kunnen aanhouden [1].
Ook de KNMI’23-scenario’s verwachten meer langdurige warme perioden, met gemiddeld 98 zomerse dagen per jaar (maximumtemperatuur >25°C) in 2100 in het Hd-scenario. In de gematigde KNMI’23-scenario’s (Ln en Ld, +1,1°C en 39 zomerse dagen) zullen deze gevolgen evenredig kleiner zijn.
Conclusies
Dit onderzoek toont dat drinkwater in Nederland de afgelopen decennia is opgewarmd, gemiddeld met 0,05°C/jaar. De stijging van de drinkwatertemperatuur sinds 1990 is in lijn met de stijging van de lucht- en bodemtemperatuur in deze periode. In veel leveringsgebieden benadert de maximumtemperatuur nu al de norm van 25°C en in enkele gebieden wordt de norm al bijna elk jaar, al is het kortstondig, overschreden. Met name sterk verstedelijkte gebieden waar drinkwater wordt gemaakt van oppervlaktewater, lopen een verhoogd risico op te warm drinkwater.
In alle klimaatscenario’s zullen temperatuuroverschrijdingen zich waarschijnlijk vaker en langduriger voordoen. Maatregelen tegen opwarming van het leidingnet, zoals vergroening van straten, zijn uitvoerbaar en waarschijnlijk effectief [11], maar de effecten zijn zeer lokaal. Om effectieve maatregelen te nemen is het dan ook belangrijk de verspreiding en duur van temperatuuroverschrijdingen beter in kaart te brengen dan nu het geval is. Zo kunnen de meest urgente locaties in beeld gebracht worden.
Daarnaast is er meer onderzoek nodig om de daadwerkelijke gezondheidsrisico’s van opwarmend drinkwater in te kunnen schatten. Zo is het nog onduidelijk wat de gevolgen van warmer drinkwater in het distributienet zijn voor de groei van pathogenen in binneninstallaties, de blootstelling van de bevolking en de uiteindelijke ziektelast.
Samenvatting
In stedelijke gebieden lopen zo’n 1,8 miljoen Nederlanders een verhoogd risico op te warm drinkwater. Tussen 1990 en 2023 lijkt de gemiddelde drinkwatertemperatuur met 0,05±0,03°C/jaar te zijn gestegen. Bij sterke klimaatverandering zullen de temperaturen verder stijgen, wat in steden kan leiden tot langdurige en wijdverspreide normoverschrijding. Meer inzicht in duur en verspreiding van normoverschrijding en gevolgen voor de volksgezondheid is noodzakelijk om (kosten)effectieve maatregelen te nemen.
REFERENTIES
1. Agudelo-Vera, C., Blokker, M., Van der Wielen, P., & Raterman, B. (2015). Drinking water temperature in future urban areas.
2. Blokker, E. J. M., & Pieterse-Quirijns, E. J. (2013). ‘Modeling temperature in the drinking water distribution system’. Journal AWWA, 105(1), E19–E28.
3. Zwolsman, G. et al. (2014). Risicoanalyse klimaatverandering voor de drinkwatersector.
4. Van der Molen, M., Kooi, H., Smulders, E. F. P. A., & Heijman, S. G. J. (2008). Warmteindringing in de bodem.
5. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2020). ‘Kaart: Stedelijk hitte-eiland effect (UHI) in Nederland’. In Atlas Natuurlijk Kapitaal. https://www.atlasnatuurlijkkapitaal.nl/stedelijk-hitte-eiland-effect-uhi-in-nederland
6. Centraal Bureau voor de Statistiek. (2024). Wijk- en buurtkaart 2024
7. Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. (2025). De staat van ons klimaat.
8. Bakema, G., Bloem, J., Heinen, M., Knotters, M., & van Rooijen, N. (2022). De invloed van klimaatverandering op de bodemtemperatuur.
9. Remme, R., De Nijs, T., & Paulin, M. (2017). Natural Capital Model: Technical documentation of the quantification, mapping and monetary valuation of urban ecosystem services.
10. KNMI (2023). KNMI\'23 klimaatscenario\'s voor Nederland.
11. Agudelo-Vera, C. M., Blokker, E. J. M., & Quintiliani, C. Q. (2020). Maatregelen tegen ongewenste opwarming van het drinkwater in het leidingnet.