Vernattingsmaatregelen in Nederlandse veenweidegebieden kunnen enerzijds bodemdaling en broeikasgasemissies beperken, maar anderzijds ook negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit.
Een nieuw rapport, gemaakt in opdracht van STOWA, bundelt de beschikbare kennis over de effecten van verschillende vormen van vernatting. Het rapport behoort tot het bredere STOWA-programma Veen en Water en onderzoekt de gevolgen voor de waterkwaliteit van grootschalige toepassing van maatregelen om bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen in veenweidegebieden tegen te gaan.
De onderzoekers schrijven in het rapport dat vernatting zowel kansen als risico’s voor de waterkwaliteit oplevert. Op de langere termijn kan een hogere grondwaterstand de afbraak van veen en de uitspoeling van nitraat en sulfaat verminderen. Op de korte termijn kunnen juist extra nutriënten, oevererosie en slibaanwas ontstaan.
Om bodemdaling en broeikasgasemissies te verlagen zullen volgens de auteurs in ieder geval delen van het veenweidegebied vernat moeten worden. ‘Het is daarom van belang om potentiële negatieve effecten van vernatting op de waterkwaliteit in te schatten en om mitigerende maatregelen te ontwikkelen die deze risico’s zo klein mogelijk maken.’
Het rapport wijst erop dat de effecten sterk afhankelijk zijn van de lokale omstandigheden. Daarbij gaat het om de algemene kenmerken van het gebied, de bodemsamentelling, het hydrologisch functioneren van het gebied en de huidige ecologische toestand. Daarom wordt aanbevolen om bij vernattingsmaatregelen eerst de uitgangssituatie in beeld te brengen en vervolgens een monitoringsprogramma op te stellen om de effecten door de tijd te kunnen volgen.
Het rapport gaat ook in op de kennislacunes die er zijn. Om de effecten van vernatting beter in kaart te kunnen brengen, is meer kennis nodig over bodemprocessen, water- en stofstromen, bodemstructuur, oevervegetatie en slibaanwas. Door het aanpakken van deze lacunes ‘kunnen concrete inzichten en handvatten ontwikkeld worden voor beheer en gebiedsinrichting. Tevens adviseren we om zowel op kleine als op grote schaal te kijken, van polder naar het gehele landschap. Zo kan gewerkt worden aan een meer toekomstbestendige inrichting van het landschap.’