STOWA heeft een verkenning uitgevoerd naar doelsturing bij wateropgaven en de mogelijke rol van waterschappen daarin. De onderzoekers komen tot de conclusie dat ‘doelsturing het huidige beleid niet vervangt, maar dat waterschappen wel geleidelijk zouden kunnen starten met doelsturing, parallel aan middelsturing’.
Het landelijk gebied kent legio wateropgaven. Met name het verbeteren van de kwaliteit van het water, maar zeker ook het tegengaan van wateroverlast. Tot nu toe gebruikt de overheid de zogeheten ‘middelsturing’ om de waterdoelen te halen. Denk hierbij aan het instellen van spuitvrije zones om de waterkwaliteit te verbeteren.
Deze manier van sturing heeft de laatste jaren geleid tot een verbetering van de waterkwaliteit. Echter nog niet afdoende om de doelen uit de Kaderrichtlijn Water te halen. En dat brengt ‘doelsturing’ als mogelijke aanvulling op middelsturing in de belangstelling. Daarbij worden doelen vastgesteld en krijgen agrariërs meer vrijheid om zelf te bepalen hoe zij deze bereiken.
“Voor waterschappen is dit een relatief nieuwe aanpak”, vertelt Michelle Talsma van STOWA. “Mede daarom kregen we het verzoek van de Unie van Waterschappen om een verkenning uit te voeren over de manieren waarop waterschappen die doelsturing zouden kunnen inzetten.”
Voor deze verkenning zijn verschillende regionale pilots geanalyseerd. “De pilots bleken in de praktijk heel divers te zijn, zowel als het gaat om de opgaven waaraan wordt gewerkt als wat met de inzet van doelsturing wordt beoogd. Doelsturing blijkt in de praktijk nu met name een instrument te zijn waarmee samenwerking tussen overheid en maatschappij wordt vormgegeven. We hebben uitgezocht waar waterschappen tegenaan zouden kunnen lopen als die op het doel gerichte manier van sturing wordt ingezet. Hierbij hebben we gekeken naar welke vormen van doelsturing nu al voorkomen in de pilots. Dat heeft tot een raamwerk geleid van wat er nodig is om doelsturing vorm te geven. Daarbij vragen we de aandacht voor het vaststellen van de doelen, de praktische uitvoering en de context van het gebied.”
Talsma legt uit. “Voor waterkwaliteit zijn we nu heel erg gewend te kijken naar het regionale watersysteem. Bij een doelgerichte sturing moet je die doelen concreet gaan vertalen naar bedrijfs of misschien perceelsniveau, anders kan een agrariër of een ondernemer er niet zoveel mee.”
Vervolgens dient, ook weer op bedrijfs- en gebiedsniveau-, de voortgang te worden gemonitord. “Er komt dus best wat bij kijken. Daarom staat ook in het rapport dat doelsturing niet vanaf morgen ingevoerd kan worden. Wel kunnen waterschappen de aanpak eventueel geleidelijk in gaan zetten als sturingswjze in samenwerking met de landbouwsector en daar ervaring mee opdoen.”