Ga naar inhoud

‘Zoet wateralarm’ voor de Nederlandse delta. Bufferen we wel genoeg?

Door Tim Koorn
‘Zoet wateralarm’ voor de Nederlandse delta. Bufferen we wel genoeg?
Dijkversterking Markermeerdijk | Foto Fred Sanders
Gepubliceerd:

We kunnen de verzilting niet meer voorkomen, zei deltacommissaris Co Verdaas op het Nationaal Deltacongres. Heeft hij gelijk, vragen Fred Sanders, Leo Schagen, Peter Vonk en Harold IJskes zich af.


door Fred Sanders, Leo Schagen, Peter Vonk en Harold IJskes


“We trekken de pleister eraf”, zei deltacommissaris Co Verdaas donderdag 13 november 2025 op het Nationaal Deltacongres. “We moeten de boodschap brengen dat het zoute water gaat komen en we kunnen een zoet waterdelta niet meer garanderen. De zeespiegelstijging zal de zoet waterbel onder de duinen die ons van het zoute zeewater scheidt wegdrukken en de zoutwater golf vanuit zee in onze rivieren zal verder de delta in trekken”, aldus zijn inleidende woorden tijdens het congres.

Een consortium van provincies, het Wereldnatuurfonds en gerenommeerde adviesbureaus deed daar in de middag nog een schep bovenop: om de Randstad overeind te houden gaan we uiteindelijk delen van Zeeland, Friesland en Groningen teruggeven aan de zee. Als we nu al beginnen met landwinning door slib aanlanding aan de zeezijde, van de Belgische grens tot aan Delfzijl, dan kan de natuur die daar ontstaat de zeespiegelstijging bijhouden en zo blijft Nederland op de kaart bestaan.

Dat werkt alleen maar als de zee het land in kan stromen waarvoor waterkeringen doorbroken moeten worden. En natuurlijk als er voldoende zand en slib is dat ook nog eens bestand moet zijn tegen stormvloeden. Hiermee werd ‘Meebewegen met de natuur’, zoals ooit door ingenieur Ronald Waterman 50 jaar geleden geïntroduceerd voor het verbreden van onze kust zeewaarts, omarmd als het nieuwe adagium voor het omgaan met de klimaatverandering voor de Nederlandse delta.


Leo Schagen etc tekst

Aan vragen of er uiteindelijk hiervoor wel voldoende slib uit de rivieren komt, als de gletsjers zijn verdwenen, wat een stormvloed zou kunnen veroorzaken en of de bollentelers en agrariërs achter de duinen en dijken dit zomaar zullen accepteren, en hoe de burgers en beleggers, grotendeels onze pensioenfondsen, met de waardevermindering van het onroerend goed in onze delta zullen omgaan, of ze niet zullen protesteren, daar werd met gemak omheen gegaan, maar de stellingname bleef.

Maatschappelijke onrust
Hoe zullen de bewoners van de drie provincies in onze zuidwestelijke delta reageren, als zij echt beseffen dat op deze plekken land teruggeven gaat worden aan de zee. Dit zal grote maatschappelijke onrust veroorzaken; waar worden de 60.000 woningen en gebouwen heen verplaatst? Het lukt nu al niet om de woningbouw op peil te krijgen. Zij zullen ageren tegen het feit dat een aantal grote (maatschappelijke) organisaties hiermee die de ‘windrichting’ lijken te hebben bepaald.

Veel meer zal er een brede maatschappelijke discussie georganiseerd moeten worden ook voor de democratische controle. Het lijkt nu over de hoofden van de bewoners, die notabene te maken krijgen met een gedwongen verhuizing, heen te gaan.

“Het was beter de waarheid onder ogen te zien, de feiten niet langer te verbergen, het zoute water gaat komen”, zo zei de deltacommissaris aan het eind van de dag nog eens duidelijk.

Maar is dat het hele verhaal, moeten we ons vervolgens afvragen. Want als het zout komt, hoe zit het dan verder met de beschikbaarheid van zoet water? Want stel: grote delen van de Nederlandse bevolking trekt zich terug naar het oosten van het land zelfs tot in Duitsland, de nieuwe Nota Ruimtelijke Ordening van het demissionaire kabinet speelt daar al op in, dan nog heeft een voorlopig nog toenemende bevolking, hebben bedrijven, de altijd nog groot overgebleven agrarische sector en de natuur structureel behoefte aan zoet water.

Want zoet water is belangrijk, er is eigenlijk altijd aan tekort, overal in de wereld en ook in de Nederlandse delta. Het tekort gaat ons als mens, de natuur, de industrie en de agrarische sector aan, allemaal zijn we afhankelijk van zoet water, voor ons drinkwater en voor voldoende zoet water in de grond. Maar ook ons oppervlaktewater moet voor de vissen en de planten, voor flora en fauna, voldoende zoet zijn, dat is belangrijk voor onze verplichting om de biodiversiteit in het oppervlaktewater op peil te houden, opgelegd door de Kaderrichtlijn Water.

Kortom, laten we de behoefte aan zoet water en de beschikbaarheid voor de Nederlandse delta eens doorrekenen!

1. Zoet water en onze afhankelijkheid

In de Biesbosch werden in 1963 al spaarbekkens aangelegd als buffer voor de drinkwater productie en zo presenteerde het Noord-Hollands waterleidingsbedrijf PWN recent het plan voor de aanleg van nieuwe waterbuffers in het IJsselmeer. De vraag is alleen, zijn niet het hele IJsselmeer en Markermeer al zoet waterbuffer en hoeveel buffer is er dan in de toekomst nodig, ook met het oog op de klimaatverandering? En als er meer buffering nodig is, hoe gaan we dat dan aanpakken, de waterleidingbedrijven individueel, al of niet met de waterschappen of is een landelijk programma nodig?

Om dat duidelijk te krijgen zoomen we in op de zoet waterbehoefte, drinkwater en oppervlaktewater, van ons landje, de klimaatproblemen, vervuiling van water en wat er nodig is, nu en op de lange termijn.

Gemiddeld drinken wij mensen dagelijks 1,5 tot 2 liter gezuiverd zoet water, in welke vorm dan ook. We verbruiken in Nederland wel 130 liter zoet water per dag, een 950 miljard liter/jaar (CBS: Watergebruik Thuis) omdat we er ook mee douchen en het toilet ermee doorspoelen (volgens Waternet respectievelijke 60 en 30 liter per dag), er zomers de tuin mee sproeien en de auto er mee wassen.

Toch, ondanks dat er in Nederland stemmen opgaan om ons toilet met regenwater door te spoelen, zijn wij nog geen veel verbruikers; in de USA ligt het drinkwaterverbruik per persoon op meer dan 300 liter per dag en in Afrika waar de beschikbaarheid van zoet water over het algemeen laag is, haalt het dagelijks gebruik amper de 50 liter per persoon (Wageningen Universiteit: Watervoer afdruk)

Ons drinkwatergebruik zal door bevolkingsgroei (volgens CBS rond de 21 miljoen inwoners in het topjaar 2070) nog toenemen. Hier komt nog het gebruik in de landbouw en industrie bij. Om een voorbeeld te geven werd er in 2018, een jaar met droogte, een record hoeveelheid water gebruikt voor irrigatie (m.n. beregening), namelijk 264 miljard liter, waarvan 75 procent uit grondwater en 25 procent uit oppervlaktewater. Deze hoeveelheid is ruim 3 keer groot als in 2017 en bijna 4,5 keer zoveel als het gemiddelde van 2001-2017. Daarnaast wordt er gemiddeld jaarlijks 37 miljard liter grond- en oppervlaktewater gebruikt voor drenking van vee. We weten ook dat droge jaren vaker zullen voorkomen door de klimaatverandering.

De industrie verbruikt daarnaast ook nog eens dagelijks ongeveer 386 miljard liter water, wat neerkomt op ongeveer 20 procent van het totale waterverbruik. Zo kan het Nederlandse zoet watergebruik in deze tijd in een droog jaar tot 1.700 miljard liter per jaar oplopen.

Zoet water is mondiaal schaars omdat slechts 3 procent van het water op aarde zoet is en het grootste deel daarvan ook nog eens als ijs op de polen, op Groenland en op het vaste land in gletsjers ligt opgeslagen. Om de schaarste aan zoet water op het land nog enger te maken: 97 procent van dat zoete water op land is grondwater en dat telt daardoor ook amper mee (OU).

Ook speelt mee dat het oppervlaktewater waar vooral de agrarische sector het dan van moet hebben, verontreinigd is met nutriënten als stikstof, fosfor en chemische stoffen als bestrijdingsmiddelen. Niet alleen zei de Europese commissie dat recent, ook de waterschappen moeten dat toegeven. Waarbij vermeld mag worden dat de rioolzuiveringsinstallaties nog steeds geen medicijnresten, microplastics of resistente bacteriën uit ons rioolwater halen. Kortom, we worden voor ons zoet water in toenemende mate afhankelijk van de aanvoer van zoet water en de bufferopslag daarvan.

2. Aanvoer van zoet water, klimaatverandering, verontreiniging bij waterpieken

Onze rivieren de Rijn en de Maas (Rijn 1.900 en Maas 230 m3/seconde) voorzien ons jaarlijks van gemiddeld circa 6.700 miljard liter zoet water. De neerslag voegt daar nog eens 107 miljard liter aan toe. Er valt 306 miljard liter/jaar, hiervan verdampt zo’n 65 procent en zakt een deel in de bodem. Zodoende blijft er zo’n 107 miljard liter per jaar over. Dat tezamen (6.700 + 107 = 6.807 miljard liter) is in orde van grootte 40 keer onze benodigde zoet waterbehoefte en dat moet dus ruim voldoende zijn.

Maar de werkelijkheid ligt anders. Het meeste van het rivierwater stroomt door naar de Noordzee om onze binnenvaart en havens in stand te houden èn om het indringende zoute zeewater tegen te houden. Daar komt bij dat de hoogwatergolven op de rivier vervuild zijn, de meeste neerslag tijdens warme periodes verdampt en ons oppervlaktewater vervuild raakt.

Ook wordt de wateraanvoer uit onze rivieren vanwege de klimaatverandering elk jaar kritischer, doordat de bovenstroomse Alpengletsjers krimpen als gevolg van de afgenomen sneeuwval. Ook vindt de regenval bovenstrooms in Duitsland en België meer geclusterd plaats, waardoor de waterstroom in onze rivieren naast hoogwatergolven periodes van langdurige lage afvoeren heeft gekregen. Deze hoogwatergolven zijn over het algemeen nogal verontreinigd doordat de oevers van steden en industrieterreinen in Duitsland en België daardoor worden schoongespoeld, waardoor allerlei verontreinigingen in het water terecht komen. Dit water wordt deels naar het IJsselmeer afgevoerd, waardoor we ons grootste zoet waterbekken verontreinigen.

Ook de regenval boven het eigen land verandert door de klimaatverandering: de droge periodes worden langer terwijl de natte perioden meer heftige regenval kennen, hetgeen overigens ook het Europees beeld is. Dat zou op zich in Nederland niet zo een probleem hoeven te zijn als we al het extra regenwater voor de droge perioden konden bufferen.

Maar veel van de extra waterval wordt vanwege wateroverlast naar zee gepompt om de polders droog te houden en dan is er de verdamping van water met name door bomen. Vooral de naaldbomen, aangeplant omdat deze niet van nature in de lage-landen voorkomen, zijn een vocht-slurper.

Mede daardoor is de Veluwe bijvoorbeeld een droge heuvelrug geworden, de onderliggende waterbel is in de loop van de eeuwen voor een groot deel verdwenen. We kennen de verdamping uit metingen van het KNMI, dat is jaarlijks 570 mm, tegenover 875 mm regenval. Dus theoretisch blijft er circa 305 mm over, een 107 miljard liter/jaar. De waterschappen bepleiten dat we er alles aan doen om het positieve verschil vast te houden en in de grond te laten opnemen, maar feitelijk blijft er dus weinig van over.

3. De behoefte aan zoet water buffers voor de boeren en ons drinkwater

De enige echte goede oplossing voor ons zoet watervoorziening, voor ons drinkwater en voor onze agrarische sector, is het bufferen van zoet water uit de schone neerslag. Diepe ondergrondse opslag van regenwater voorkomt gedeeltelijk de verdamping daarvan. Bufferen van oppervlaktewater, bijvoorbeeld uit de hoogwatergolven, ligt gevoelig omdat dit water voor een deel vervuild is. Ook de zoutindringing in bijvoorbeeld het Noord-Hollands kanaal is nu al een serieus probleem.

Het berekenen van de waterbalans is zo complex, er spelen veel factoren mee zoals waar regent het, hoe schoon is het water, hoe is de ondergrond en hoe diep de polder, dat de waterschappen het over het algemeen maar bij de praktijk houden, ze meten de grondwaterstand en het peil in de sloten en vaarten en handelen daarnaar, water lozen of inlaten.

Recent kwam het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met een gedegen doorrekening om de benodigde buffercapaciteit te berekenen, maar het resultaat bleef te beperkt voor harde conclusies. Eerst maar eens 10 procent buffercapaciteit erbij werd gesteld en dan weer zien. En dat lijkt makkelijk maar dat is het niet, regel in Noord-Holland maar eens 10 procent meer buffercapaciteit! Het grondwaterpeil in de polders kan amper omhoog, anders gaat de oogst eraan, de aardappels gaan rotten en de bollen groeien minder goed. Kortom, we hebben hard extra zoet waterbuffering nodig, maar dat is niet zo makkelijk geregeld.

Na de Biesbosch als bufferzone voor ons drinkwater werd het IJsselmeer als bron voor zoet water, vanwege het oprukkend zoute water, de afgelopen decennia opnieuw uitgevonden als zoet waterbuffer voor onze agrarische sector, in Noord-Holland en de omliggende oostelijke provincies. Maar het IJsselmeer raakt vervuild en zout en alleen doorspoelen helpt niet meer. Daarom wil het Noord-Hollandse drinkwaterbedrijf PWN een buffer in het IJsselmeer bij Enkhuizen, om deze te vullen als het IJsselmeerwater schoon is.

Ook agrarische bedrijven beginnen met eigen grootschalige opslag van zoet regenwater. De regendepots achterop het erf voldoen al lang niet meer, ze zijn te klein. De agrariër van vandaag pakt het dan ook groots aan, zoals op Texel waar wordt geëxperimenteerd met grootschalige ondergrondse zoet wateropslag. Maar als de zoutwaterkwel doorzet en de zeespiegelstijging deze de druk daarop vergroot, ja dan helpen ondergrondse depots ook niet meer, dan zal er op nationaal niveau een oplossing moeten worden gecreëerd.

Ervan uitgaande dat we ons nationale exportproduct van tulpenbollen en pootaardappelen niet kwijt willen raken. Immers de export van onze pootaardappelen verzorgt aan 800 miljoen mensen basisvoedsel waarmee we ook een mondiale verantwoordelijkheid hebben gekregen deze te blijven leveren.

Zo zijn er meer plannen om zoet waterbuffers in onze delta aan te leggen. Het Markermeer kan als waterbuffer worden vergroot en het Grevelingenmeer in de Zuidwestelijke Delta zou een zoet waterbuffer kunnen worden. Deze buffers kunnen vanuit de rivieren worden gevuld als het rivierwater schoon is.

Maar de benodigde ingrepen zijn stevig, leiden we het rivierwater via de Waal naar het Haringvliet dan is daar waar het Rijnwater de Noordzee instroomt bij Maassluis ergens een schuitsluis nodig om het water in de rivier op peil te houden. Het meest ver gevorderd is het versterken van de dijk rondom het Markermeer, het sluitstuk tussen Amsterdam en Hoorn is bijna gereed. Dan kan het water daar 20 cm hoger worden opgezet waarmee de waterbuffer daar verdubbelt.

Ons oppervlaktewater zou een enorm areaal aan waterbuffer kunnen opleveren, als het niet zo verontreinigd was. Al die sloten, vaarten en kanalen vormen bij elkaar opgeteld een ongekend groot oppervlak. Maar helaas voldoet ons oppervlaktewater kwalitatief niet aan de normen hetgeen ook wel te verklaren is, de veeteelt loost vrij op het oppervlaktewater en de rioolzuiveringsinstallatie halen nog steeds medicijnresten, maar ook niet genoeg fosfaat en nitraat, niet uit het water, maar lozen wel op het oppervlaktewater. Het bouwen van een noodzakelijke 4e trap in de rioolzuiveringen schiet nog niet echt op.

Daarom gaan er regionaal stemmen op om waterbuffers voor de agrarische sector in het landschap aan te leggen, we zijn tenslotte een land dat de naam heeft alles te kunnen maken. Maar de behoefte aan ruimte in ons land is enorm. Ook de woningbouw, industrie en de energieverzorging, de ‘Natuur Netwerk Nederland-zones’ tussen natuurgebieden, de zones rondom Natura 2000 gebieden en vandaag de dag ook onze defensie doen een toenemend beroep op ruimte. Zo zou Noord-Holland bijvoorbeeld al 27procent oppervlak tekortkomen.

Als deze 27 procent landtekort voor heel Nederland zou gelden, dan komen we precies het oppervlak van onze territoriale wateren tekort! Dat zet aan het denken, moeten we dan toch zeewaarts gaan denken?

4. Zoet wateropslag achter tweede zeekering, met meekoppelkansen

Onlangs buigen onze landsvertegenwoordigers en deskundigen zich in Belém in Brazilië over het slotakkoord van de zoveelste VN-klimaattop, om het gebruik van carbon houdende brandstoffen op termijn totaal te beëindigen. Dat zal nodig zijn om de in Parijs afgesproken maximaal 1,5 0C temperatuurstijging ten opzichte van de referentiejaren 1850-1900 te corrigeren, omdat recente signalen aangeven dat we hard moeten werken om het doel te halen, als het al kan lukken. We stevenen nu af op 2,8 graden stijging in plaats van de beoogde 1,5 graad. Dit betekent dat de zeespiegelstijging en de vele andere klimaateffecten nog ernstiger zullen worden dan aanvankelijk gedacht.

Krijgt de deltacommissaris dan toch gelijk, kunnen we de verzilting niet meer voorkomen? De vraag is of hij volgend jaar tijdens het Deltacongres gaat melden dat we ook de klimaatoverstroming van delen van onze westelijke delta niet meer moeten uitsluiten, of kunnen we de Nederlandse traditie dat we ons land dat grotendeels onder NAP ligt kunnen behouden, toch volhouden. Kijken we naar de zoet watervoorziening, de hopeloosheid van buffers in relatie tot de complexiteit en de verontreinigingen, dan lijkt de enige oplossing, als we dat echt willen, een tweede zeekering voor de kust.

Deze levert ons naast bescherming tegen de stijgende zeespiegel een enorm zoet waterbekken en een keur aan meekoppelkansen, zoals veel minder verzilting, nieuwe locaties voor infrastructuur als vakantieparken en defensie, op enige afstand van elkaar uiteraard. Deze ‘tweede zeekering’ werd tijdens het Deltacongres zorgvuldig gemeden, geen van de sprekers sprak zijn of haar mond voorbij. Waarschijnlijk vanwege de kosten, al zal een alternatief als ‘bouwen met de natuur’ ook vele miljarden gaan kosten.

De werkelijk boodschap is echter anders, deze zeekering kan in stukken worden gerealiseerd en de kosten kunnen zover misschien wel 50 of 100 jaar worden uitgesmeerd. Je past het gedurende ‘de rit’ aan de meest actuele klimaatscenario’s aan. Het eerste stuk leggen we dan vast bij de derde Maasvlakte aan, in combinatie met een schutsluis voor de Nieuwe Waterweg. Door daar tevens een nieuw zoet waterbekken aan te leggen wordt een stuk van de tweede zeekering impliciet al gerealiseerd.

Want daar zijn onze waterbouwers altijd goed in geweest, het onaangename met het aangename verbinden om zo de pijn van de kosten te verzachten. Meekoppelkansen noemen we dat. Het nieuwe land biedt volop kansen voor natuur, recreatie, economie, visserij en de land- en tuinbouwsector.

Daarmee kopen we veel tijd, want feitelijk zoals we eerder schreven, hebben we een klimaatverandering van ca. 400 jaar te overbruggen. Want als we binnen die 1,5 graad Celsius temperatuurklimaatstijging blijven, ligt de piek van de klimaatverandering op circa 150 jaar na nu, en hebben we de klimaatverandering over 400 jaar achter de rug.

De werkelijkheid kan natuurlijk weerbarstiger zijn als de temperatuur verder stijgt, de warme golfstroom draait of als ons elektriciteitsnet zichzelf opblaast. Maar dan zijn we alweer een stap verder en hebben we de uitdaging van voldoende zoet water in de Nederlandse delta tenminste onder controle.


  • Leo Schagen is ingenieur, gepensioneerd manager Waternet, gemeenteraadslid Purmerend, voormalig waterschapsbestuurder bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK)
  • Harold IJskes is adviseur en manager op het gebied van duurzaamheid, omgevingsmanagement en communicatie. Werkt voor overheden en instituten. Hij is in zijn werk betrokken bij waterschappen en biodiversiteit en vanuit deze invalshoeken draagt hij bij aan de communicatie van de Stichting Zee en Rivier
  • Fred Sanders is gepromoveerd in de duurzame stedenbouw, kustwaterbouwkundige en schrijver van streekromans
  • Peter Vonk is oprichter van de Algemene Waterschapspartij (AWP), voormalig waterschapsbestuurder HHNK, huisarts, mede-auteur van het boek ‘Water! als Medicijn’ en bestuurslid van de Stichting Zee en Rivier
Tags: Opinie

Meer in Opinie

Bekijk alles
De kracht van waterwezens

De kracht van waterwezens

Door Tim Koorn
/
Het kan wél

Het kan wél

Door Tim Koorn
/

Meer van Tim Koorn

Bekijk alles

Van onze partners