De kans op lange periodes van zoutindringing in de Rijn-Maasmonding neemt toe. Dit artikel biedt handvatten om kansrijke maatregelen en alternatieve systeeminrichtingen te identificeren en beoordelen voor zowel de korte als de lange termijn.
Geschreven door Marjolein Mens, Ymkje Huismans (Deltares), Vincent Vuik (HKV), Meinte Blaas, Marlous van Herten (Rijkswaterstaat)
Download hier de pdf van dit artikel.
De Rijn-Maasmonding (RMM) is van groot belang voor de zoetwatervoorziening van laag Nederland, voor drinkwater, natuur, landbouw, industrie en het tegengaan van bodemdaling. Door klimaatverandering, zeespiegelstijging, systeemingrepen en toenemende watervraag komt deze functie steeds meer onder druk te staan. Momenteel is de RMM ingericht als afsluitbaar-open systeem: schepen en vissen hebben vrije doorgang en overtollig water wordt vrij afgevoerd. Alleen bij flinke stormopzet worden de Maeslantkering en Hartelkering gesloten. Via de Nieuwe Waterweg treedt zoutindringing op bij lage rivierafvoeren, bij windopzet op zee of een combinatie van beide. Dit heeft tot gevolg dat de normaal zoete Hollandsche IJssel, Lek, Oude Maas en het Spui tijdelijk verzilten. De gemiddelde chlorideconcentratie in de monding van de Hollandsche IJssel is dan meer dan 1000 mg/l. Bij deze mate van verzilting zijn aanvullende droogtemaatregelen nodig [1], [2].
Recente droge zomers hebben al laten zien dat zoutindringing voor problemen kan zorgen. Zo werd de situatie in 2018 bijna acht weken lang intensief gemonitord en waren er tijdelijke waterverdelingsmaatregelen nodig om de schade te beperken. Aan de riviertakken bevinden zich meerdere inlaatpunten voor drinkwaterproductie en regionaal waterbeheer. Bij langdurige verzilting moet inname gestopt worden en/of moet een alternatieve, regionale aanvoer in werking worden gesteld: de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA). Deze route heeft echter een beperkte capaciteit en nadelige gevolgen voor het regionaal waterbeheer en de recreatievaart. Ook zal bij (dreigende) verzilting meer water vanuit de Waal via andere routes naar de Hollandsche IJssel en de Lek worden gestuurd om verzilting van deze takken tegen te gaan. Dit leidt tot waterstandsdaling op de Waal met gevolgen voor de scheepvaart.
Door klimaatverandering neemt de kans op verzilting snel toe. De genoemde waterverdelingsmaatregelen moeten vaker worden ingezet en er is meer water nodig. In het huidige klimaat is een situatie met een gemiddelde Rijnafvoer over veertien dagen van ongeveer 850 m3/s (herhalingstijd ongeveer 20 jaar) beheersbaar met maximale inzet van de tijdelijke droogtemaatregelen, zoals in 2018. Met de huidige afvoerverdeling en onttrekkingen blijft daarvan ongeveer 600 m3/s over in de Nieuwe Waterweg.
In de toekomst neemt de beschikbare rivierafvoer snel af bij klimaatverandering en bovenstroomse ontwikkelingen in het stroomgebied. Ook nemen de onttrekkingen aan het hoofdwatersysteem toe. Er blijft dan minder water over in de Nieuwe Waterweg. Tegelijkertijd neemt de afvoer die nodig is om inlaatpunten voldoende zoet te houden toe door zeespiegelstijging (100-150 m3/s per meter stijging [1]).
De gelijktijdige afname van beschikbaar rivierwater tijdens droogte en toename van de benodigde afvoer in de Nieuwe Waterweg wordt gevisualiseerd in Afbeelding 1. Op het kruispunt van deze lijnen treedt zodanige verzilting van de mondingen van de Hollandsche IJssel en Lek op, dat de huidige waterverdelingsmaatregelen niet genoeg zijn om de inlaatpunten zoet te houden. Of en welke aanvullende maatregelen nodig zijn, hangt af van de eisen die worden gesteld aan het inlaatwater en in hoeverre korte periodes van verzilting overbrugd kunnen worden. Ondanks de onzekerheden is het duidelijk dat dit vraagstuk al op korte termijn aan de orde is.

Afbeelding 1. Toename van benodigde afvoer in de Nieuwe Waterweg als gevolg van zeespiegelstijging (lichtblauwe lijn) en afname van de beschikbare afvoer in de Nieuwe Waterweg door klimaatopwarming (groene lijn). Als de benodigde afvoer groter is dan de beschikbare afvoer dan treedt zoutindringing op (grijze vlak)
HKV heeft watersysteemmaatregelen geïnventariseerd om zoutindringing in een afsluitbaar-open systeem te beperken. Deze systeemmaatregelen zijn in hoofdzaak gericht op het bevorderen van de opmengende werking van het getij, het verhogen van de afvoer in bepaalde riviertakken, het blokkeren van de verzilting met een kering of het beperken van de waterdiepte. Hierdoor dringt zout water minder ver door. De inventarisatie heeft een overzicht opgeleverd van de kennisbasis, een eerste beoordeling van de effectiviteit tegen zoutindringing van deze maatregelen en een indicatie van de technische en economische haalbaarheid [3].
Mogelijke maatregelen in het hoofdwatersysteem om zoutindringing te beperken zijn in te delen in vijf categorieën (afbeelding 2): afsluiting van riviertakken, aanpassing van het doorstroomprofiel (versmallen, verondiepen, drempels), stroming beïnvloeden, en waterverdeling aanpassen. In het Deltaprogramma Zoetwater worden daarnaast maatregelen uitgewerkt om gevolgen te beperken: het reduceren van de watervraag (ander landgebruik), het verplaatsen van innamepunten voor zoetwater, buffercapaciteit van gebruiksfuncties vergroten, alternatieve bronnen en ontzilting.
Maatregelen moeten niet alleen beoordeeld worden op maatschappelijke kosten en baten in de context van de huidige systeeminrichting, maar ook op hoe ze passen in mogelijke toekomstbeelden en in hoeverre ze de ruimte voor toekomstige adaptatiemaatregelen beperken [4]. Daarom heeft Deltares [2] onderzocht welke maatregelen nog meer mogelijk zijn om de zoetwaterbeschikbaarheid in de RMM richting 2100 te waarborgen als het klimaat verder opwarmt en de zeespiegel verder stijgt.
Naast de bovengenoemde afsluitbaar-open situatie zijn ook alternatieven onderzocht die primair gericht zijn op waterveiligheid: het afsluiten van de Rijn-Maasmonding met en zonder een open verbinding via het Haringvliet of de Grevelingen. Voor elke optie zijn de effecten op zoetwater, waterveiligheid, scheepvaart, waterkwaliteit en ecologie in beeld gebracht. Dit artikel brengt de inzichten uit de twee genoemde studies samen.

Afbeelding 2. Mogelijke maatregelen in categorieën ‘zoutindringing beperken’ en ‘gevolgen beperken’. Dit artikel richt zich op de eerste categorie. Bron iconen eerste categorie: [3]
Maatregelen binnen het huidige systeem
In de huidige afsluitbaar-open RMM zijn uiteenlopende maatregelen mogelijk om zoutindringing te beperken. Op hoofdlijnen zijn deze maatregelen te categoriseren als (1) afsluiten van riviertakken, (2) aanpassen van het dwarsprofiel, (3) beïnvloeden van dwarsstroming, (4) aanpassen van de monding, (5) anders verdelen van rivierwater over de takken en (6) overige maatregelen. Zonder volledig te kunnen zijn geven we in dit artikel enkele voorbeelden van mogelijk kansrijke maatregelen gericht op het beperken van zoutindringing. Een volledig overzicht is te vinden in [3].
Aanpassing van het doorstroomprofiel kan bijvoorbeeld met een tijdelijke zanddrempel op de rivierbodem. Deze belemmert de instroom van zout water langs de bodem en versterkt de uitstroom van zoet water langs het wateroppervlak. Deze maatregel is vooral effectief op een locatie met een groot verticaal verschil in zoutgehalte. Met een drempel in de Nieuwe Waterweg van grofweg de halve waterdiepte, is tijdens droogte ongeveer 100 m3/s minder water nodig om zoutindringing op dezelfde plek te houden (ruwe schatting op basis van [6] in [7]). Voor een grote drempel op deze (relatief diepe en brede) locatie is echter een grote hoeveelheid zand nodig. Zo’n drempel heeft bovendien grote gevolgen voor de scheepvaart. Daarnaast is dit bij windopzet mogelijk minder effectief. Na de periode van droogte moet de drempel weer verdwijnen, ofwel via natuurlijke erosie, ofwel door actief wegbaggeren.
Een andere mogelijkheid is het verondiepen of versmallen van een hele riviertak. Voorheen werd de zogenoemde ‘trapjeslijn’ onderhouden: een getrapt bodemprofiel met een afgesproken maximale diepte voor de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, als compromis tussen zoetwater en scheepvaart. De laatste decennia is de trapjeslijn niet meer onderhouden. Sinds de verdieping van de Nieuwe Waterweg in 2018 heeft de Nieuwe Maas tot ver landinwaarts een grote diepte, waardoor zout water ver kan indringen. Als de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas met ongeveer 2 meter worden verondiept is er 100 tot 150 m3/s minder water door de Nieuwe Waterweg nodig om de zoutindringing op het huidige niveau te houden [2]. De gevolgen hiervan voor scheepvaart lijken bij het huidige gebruik van de havens beperkt [8]. Een andere optie is om de bodemligging in een van de takken in het binnengebied (Noord, Dortsche Kil, Oude Maas) aan te passen. Het verdiepen van de Noord lijkt effectief te zijn om verzilting van de Nieuwe Maas tegen te gaan, zonder noemenswaardige toename van verzilting van de Oude Maas [9].
Zoutindringing in de Hollandsche IJssel en Lek kan worden beïnvloed door deze riviertakken gericht zoet te spoelen. In het huidige klimaat is tijdens lage rivierafvoer ongeveer 5 tot 10 m³/s aanvoer naar de Hollandsche IJssel nodig om de innamepunten voldoende zoet te houden en om te voorzien in de onttrekkingen. Voor de Lek gaat het om ongeveer 25 m³/s. In 2100, in een sterk verdroogd klimaat, is naar schatting 20 m³/s aanvoer nodig voor de Hollandsche IJssel en 70 m³/s voor de Lek. Dit extra water compenseert zowel voor toegenomen onttrekkingen als voor toegenomen verziltingsdruk aan de monding. Deze strategie vraagt op termijn wel om aanpassingen aan de bovenstroomse infrastructuur in het regionale watersysteem. Meer aanvoer naar de Lek heeft daarbij impact op de scheepvaart op de Waal.
Een ander soort maatregel is het aanpassen van het gebied waar de Nieuwe Waterweg uitmondt in zee. Zo kan de splitsingsdam in de Nieuwe Waterweg of de noordelijke havendam worden verlengd, al dan niet in combinatie met een verziltingsbeperkend ontwerp van een derde Maasvlakte, waarmee de afstand tot zee wordt vergroot. Een andere optie is het scheiden van binnenvaart en zeevaart in twee parallelle kanalen. De Nieuwe Waterweg wordt omgevormd tot een ondiepe, meer natuurlijke waterloop, geschikt voor binnenvaart en waterafvoer. Door de kleinere waterdiepte zal het zout daar veel minder ver landinwaarts dringen. Zeevaart kan de haven binnenvaren via een diepe, maar doodlopende variant van het huidige Calandkanaal aan de zuidzijde van een dam die de ondiepe rivier scheidt van het toegangskanaal. Deze aanpassing is effectief voor het tegengaan van zoutindringing, maar zeer ingrijpend voor het havengebied.
De verkenning naar zoutbeperkende maatregelen brengt bouwstenen van verschillende schaalgrootte in beeld. Deze zouden kunnen worden ingezet in plaats van of op weg naar meer transformatieve opties, die voor de (middel)lange termijn in beeld kunnen komen.
Alternatieve strategieën
Op de lange termijn kan de waterveiligheid in een afsluitbaar-open systeem alleen worden gewaarborgd tegen hoge maatschappelijke kosten, omdat dijken en kades moeten worden versterkt in een dichtbebouwd gebied waar de ruimte beperkt is. In het Kennisprogramma Zeespiegelstijging zijn drie alternatieve strategieën binnen de oplossingsrichting Beschermen, primair voor waterveiligheid, verkend. Deltares [2] heeft aanvullend onderzocht wat deze strategieën betekenen voor de zoetwatervoorziening en deze semi-kwantitatief beoordeeld op kosten, gevolgen voor waterveiligheid, ruimtebeslag en ecologische gevolgen (afbeelding 4).
Het gaat om de volgende strategieën waarbinnen diverse bouwstenen zijn uitgewerkt (zie tabel 1, afbeelding 3):
- Behoud van het huidige afsluitbaar-open systeem
Hierbij kan zoutindringing worden beperkt met maatregelen zoals besproken in het eerste deel van dit artikel. In aanvulling hierop kan worden gekozen voor grootschaliger verondieping van de Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, of van de gehele Rijn-Maasmonding. Het gaat om 2 tot 3 meter verondieping van het hele RMM-gebied, of 4 tot 7 meter van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas.
- Gesloten zeefront met dammen of sluizen
Alle zeearmen worden afgesloten door dammen, eventueel voorzien van scheepvaartsluizen. Dit biedt structurele bescherming tegen overstromingen, maar heeft grote impact op scheepvaart, ecologie en zoetwatervoorziening. Doorspoeling is nodig om zoutindringing door sluizen tegen te gaan en de waterkwaliteit te garanderen.
- Afsluitbaar-open zuidrand
De open verbinding met zee wordt verplaatst naar het Haringvliet of de Grevelingen. De Rijn-Maasmonding wordt afgesloten met een dam met of zonder scheepvaartsluizen. Doorspoeling is nodig om zoutindringing door sluizen tegen te gaan en om zoutindringing via Haringvliet/Grevelingen te beperken.
Tabel 1. Bouwstenen bij elk van de drie strategieën [2]


Afbeelding 3. Situatieschets van de drie langetermijnstrategieën [2]
Mogelijkheden in een afsluitbaar-open systeem
Met de huidige strategie en in een warmer klimaat (KNMI’23-scenario Hd2100) zijn er nog diverse bouwstenen mogelijk om zoutindringing te beperken. Het optimaliseren van het doorspoeldebiet lijkt het meest effectief voor de Hollandsche IJssel en Lek, maar dit is geen oplossing voor het Spui met de Bernisse-inlaat. Het incidenteel afsluiten van de Oude Maas of het Spui lijkt effectief om het Spui zoet te houden. Het afsluiten van de Oude Maas beïnvloedt de afvoerverdeling over de takken, waardoor er meer water via de Nieuwe Maas afgevoerd wordt. Dit is gunstig om zoutindringing daar tegen te gaan, maar naar verwachting niet voldoende om de Hollandsche IJssel en Lek bij scenario Hd2100 zoet te houden. Daarbij maakt deze maatregel de Nieuwe Maas, Hollandsche IJssel en Lek gevoeliger voor verzilting door windopzet [5].
Binnen de huidige strategie beperkt het grootschalig verondiepen van de Nieuwe Waterweg/Nieuwe Maas of de hele Rijn-Maasmonding zoutindringing, zonder grote negatieve ecologische effecten. Meerdere meters verondieping hebben echter een significant effect op de scheepvaart, zeker als zeevaart tot Dordrecht en Moerdijk in de toekomst wenselijk blijft.
Keuze voor een gesloten systeem
Als de Rijn-Maasmonding vanuit het oogpunt van waterveiligheid wordt afgesloten met sluizen en dammen, is het niet makkelijk om de zoetwatervoorziening te garanderen. Bij volledig afsluiten met dammen is er geen zoutindringing meer, maar zijn de gevolgen voor waterkwaliteit, ecologie en scheepvaart zeer groot. Er is een minimum doorspoeldebiet nodig om de waterkwaliteit op orde te houden. De ecologische waterkwaliteit gaat achteruit door het gebrek aan zoet-zoutovergangen, connectiviteit en getijdedynamiek. Daarnaast vraagt een afsluiting om een totale omslag voor de scheepvaart.
Als er gekozen wordt voor schutsluizen in de dammen, blijft het beperken van zoutindringing een groot aandachtspunt, omdat bij elke schutting een grote slok zout water binnenkomt. Sluizen die geschikt zijn voor zeeschepen (zoals die in IJmuiden) leveren vanwege hun grote diepte de grootste zoutlast. Door het wegvallen van de getijdynamiek wordt de rivier achter de afsluiting een gelaagd, zwak-dynamisch systeem (vergelijkbaar met het Noordzeekanaal), waar het zout zelfs verder kan indringen dan nu. Om dit weg te spoelen is zoveel zoet water nodig dat er steeds vaker onvoldoende water overblijft voor gebruikers. De huidige zeevaart is in een afgesloten systeem dus niet te combineren met het zoet houden van de Hollandsche IJssel, de Lek en het Spui.
Als er gekozen wordt voor (ondiepere) binnenvaartsluizen, en het aantal scheepvaartbewegingen blijft gelijk, kan de mate van zoutindringing vergelijkbaar zijn met nu. De gevolgen voor de scheepvaart zijn nog steeds groot, omdat de overslag van zee- naar binnenvaart anders georganiseerd moet worden. Ook de invloed op ecologie en waterkwaliteit is met deze afgesloten varianten groot: in gebieden als de Biesbosch valt de getijdendynamiek weg, verbindingen voor trekvissen verdwijnen en de afnemende verversing van het systeem is nadelig voor de chemische waterkwaliteit en watertemperatuur.
Het derde alternatief is een afsluitbaar-open systeem waarbij de Nieuwe Waterweg wordt afgesloten en de open verbinding met zee wordt verplaatst naar het Haringvliet of de Grevelingen. Dit biedt kansen voor de ontwikkeling van een meer natuurlijk estuarium in dit deel van de Rijn-Maasmonding, met potentieel gunstige condities voor vismigratie, een natuurlijke zoet/zout-gradiënt en grotere arealen intergetijdengebied.
Tabel 2. Effecten van de verschillende systeeminrichtingen. De scores zijn kwalitatief weergegeven ten opzichte van het nul-alternatief in een warmer klimaat volgens KNMI’23-scenario Hd2100 [2]
Conclusie
Toenemende droogte en zeespiegelstijging zorgen ervoor dat de zoetwatervoorziening ook in de Rijn-Maasmonding steeds vaker onder druk staat. Op korte termijn zijn in potentie diverse maatregelen mogelijk waarmee de zoutindringing kan worden beperkt, maar veel van de maatregelen gaan gepaard met hoge kosten en neveneffecten voor scheepvaart of ecologie. De verkenning van langetermijnstrategieën laat zien dat het in de toekomst niet mogelijk is om alle functies op het huidige niveau te blijven ondersteunen. Een langetermijn-handelingsperspectief vraagt daarom om een integrale afweging van waterveiligheid, zoetwatervoorziening, ecologie en de inrichting van de hele transportsector.
Vervolgonderzoek zou zich moeten richten op het verder kwantificeren van kosten en baten op de korte én lange termijn. Hierbij moeten ook andere maatregelen worden beschouwd die de kwetsbaarheid voor verzilting verminderen.
Samenvatting
De kans op lange periodes van zoutindringing in de Rijn-Maasmonding neemt toe en bedreigt de innamepunten voor drinkwater en regionaal waterbeheer. Als de Nieuwe Waterweg open blijft, zijn diverse maatregelen mogelijk om de zoutindringing te beperken, maar het is nog niet voldoende duidelijk of de kosten opwegen tegen de baten. Als de Nieuwe Waterweg in de toekomst wordt afgesloten is een afweging nodig tussen de scheepvaart en alle zoetwatergebruikers. Dit artikel biedt handvatten om kansrijke maatregelen en alternatieve systeeminrichtingen te identificeren en beoordelen voor zowel de korte als de lange termijn.
REFERENTIES
1. Blaas, M., Hoekstra, J., Friocourt, Y.F., Bonte, M. (2025). Synthese bevindingen KP ZSS Systeemanalyses Zoetwater. Rijkswaterstaat.
2. Vuik, V. et al. (2025). Zoetwaterbeschikbaarheid in de Rijn-Maasmonding in een warmer klimaat: Integrale verkenning van bouwstenen om zoutindringing te beperken. Deltares-rapportnr. 11210362-013.
3. Daggenvoorde, R. et al. (2025). Verziltingsbeperkende maatregelen Rijn-Maasmonding. HKV-rapportnr. PR5313.10
4. De Winter, R., Ten Harmsen van der Beek, N., M. Brinkhuis, Vlaar, A. Van Vuren, S. (2025). ‘Inzicht in de beste adaptatiebeslissingen door verbinden korte en lange termijn’. H2O-Online, 25 augustus 2025. https://www.h2owaternetwerk.nl/vakartikelen/inzicht-in-de-beste-adaptatiebeslissingen-door-verbinden-korte-en-lange-termijn
5. Van der Wijk, R., Weiler, O. (2025). Verkenning naar de effecten van het afsluiten van de Oude Maas en het Hartelkanaal: Bepaling van de effecten op het watersysteem. Deltares-rapportnr. 11209221-006.
6. Hendrickx, G. G. et al. (2024). ‘An earthen sill as a measure to mitigate salt intrusion in estuaries’. Estuaries and Coasts, volume 47, pp. 1199-1208.
7. Kranenburg, W.M., Van der Wijk, R., Huismans, Y. (2026). Lessen uit SALTISolutions, met toepassingsperspectief voor het Nederlandse Hoofdwatersysteem. Deltares-rapportnr. 11211542-001-001.
8. Bakker, F. P. et al. (under review). ‘Trading off dissimilar stakeholder interests: Changing the bed level of the main shipping channel of the Rhine-Meuse Delta while considering freshwater availability’. Environmental Challenges.
9. Biemond, B., Kranenburg, W. M., Huismans, Y., de Swart, H. E., & Dijkstra, H. A. (2025). ‘Dynamics of salt intrusion in complex estuarine networks: an idealised model applied to the Rhine–Meuse Delta’. Ocean Sci., 21, 261–281. https://doi.org/10.5194/os-21-261-2025