Water en voedsel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het produceren van voedsel vraagt nou eenmaal een enorme hoeveelheid water. Voor een kop koffie is 2.000 liter zoet water nodig, terwijl een kilo rundvlees 15.000 liter vergt. Volgens recente onderzoeken gaat zelfs 87 procent van alle zoetwateronttrekkingen wereldwijd jaarlijks naar landbouw. Ik herhaal het nog maar eens: zeven-en-tachtig procent.
door Jessie-Lynn van Egmond

Jessie Lynn van EgmondAls je daarbij bedenkt dat tussen één en twee derde van al het verbouwde voedsel wordt weggegooid, afvalwater een waardevolle bron voor irrigatie kan zijn en de totale watervraag voor landbouw door bevolkingsgroei ondanks efficiëntieslagen alleen maar blijft toenemen, dan lijkt het belang van een verweven water- en voedselsector onbetwistbaar.
Toch willen we dit in zowel de Nederlandse als mondiale watersector wel eens vergeten. We blijven graag in onze traditionele watersilo, veilig en vertrouwd, waar het irrigatie- en voedselcomponent niet standaard deel van uitmaakt.
Hoe hoger je je begeeft in de lagen van beleid, hoe zichtbaarder deze structurele scheiding tussen de voedsel- en watersector wordt. Waar in de praktijk de boer of teler immers nog elke dag met water werkt, raken de verschillende expertises in ontwerpfases en op strategisch niveau letterlijk steeds verder van elkaar verwijderd, gescheiden door muren, afdelingen, straten en gebouwen.
Iedereen die wel eens (inter)nationale evenementen bezoekt weet dat deze veelal óf over water, óf over voedsel gaan. De kruisbestuiving van ‘out of the sector’-presentaties is zo minimaal, dat er vaak weinig sprake is van een cross-sectoraal vervolg.
Ook tijdens mijn studie watermanagement aan de TU Delft moest ik naar een vergeten, afgelegen hoek van het pand om de enkele professor te vinden die zich met irrigatie bezighield, waarna met veel moeite een vak kon worden opgezet dat niet in het curriculum zat.
De waterrekening van ons eten blijft een onderbelicht aspect binnen de watersector
Op projectniveau is het ook niet al te best: het aantal land- en tuinbouwprojecten dat wereldwijd tegen waterproblematiek aanloopt is helaas niet op één hand te tellen. Terwijl dit vaak voorkomen kunnen worden als een waterexpert aan het begin van het project in de ontwerpfase had meegedacht. Denk bijvoorbeeld aan gebrekkige wateranalyses voor de projectstart, een onderschatting van de droogte-risico’s of een overschatting van de beschikbare waterkwaliteit; in de internationale tuinbouw zijn hierdoor zelfs volledig functionele kassen leeg komen te staan, de zogeheten ‘spookkassen’.
Handelsmissies, waarmee Nederlandse bedrijven gezamenlijk naar het buitenland trekken om internationale handel te bevorderen, zijn vaak óf gericht op water óf op land- en tuinbouw. Zelfs bij de belangrijkste staatsbezoeken staan de gesprekstafels per sector vaak zo ver uit elkaar dat we, met een beetje mazzel, nog net naar elkaar kunnen zwaaien. Zonde, want met een gezamenlijke presentatie zouden we ons ook op handelsvlak kunnen versterken.
Uitzonderlijk aan Nederland is namelijk dat we over enorme kennis en kunde beschikken in beide domeinen: niet alleen bekwaam in het beheer van water, maar ook het tweede exportland van de wereld op het vlak van agrarische producten, met alle bijbehorende (teelt)expertise.
Vanuit welke hoek we het ook benaderen, de waterrekening van ons eten blijft een onderbelicht aspect binnen de watersector, en vice versa de landbouw. Dit terwijl de wereld onze samenwerking en gebundelde kennis harder dan ooit nodig heeft.
Laten we daarom uit onze waterbubbel stappen en de voedselsector actief opzoeken, zodat we uiteindelijk, zowel in binnen- en buitenland vaker aan één tafel zitten, met alle profijten van dien. En als het doorbreken van de watersilo toch te groots of abstract klinkt, geef ik het advies door dat ik van een Water & Voedsel professor heb gekregen: de beste samenwerkingen zijn begonnen met niets meer dan een (zij het een 2.000 liter water kostende) kop koffie.
Jessie-Lynn van Egmond is water- & duurzaamheidsmanager
LEES OOK