Het Verenigd Koninkrijk is een boeiend land, ik kom er graag. In juni was ik er ook en zag ik live op TV hoe premier Keir Starmer ‘announced he would step down from number 10’. Hij kreeg in eigen partij te weinig steun. Inmiddels is er een andere PM, de zevende in tien jaar tijd: zijn partijgenoot Andy Burnham. Naar verluidt wil hij de waterbedrijven nationaliseren, althans daar meer grip op krijgen. Kijk, dan wordt het interessant.
Geschreven door Jos Peters
Bijna 40 jaar geleden was het Margaret Thatcher die in Engeland en Wales (niet in Schotland, niet in Noord-Ierland) uitverkoop hield. Ze privatiseerde de regionale waterbedrijven. Burnham wil dat terugdraaien. Let op: genoemde waterbedrijven doen de hele keten: én productie en levering van drinkwater én inzameling en zuivering van afvalwater.
Van de Britten leren we wat heel onverstandig uitpakt. Wat wil het geval? Hun totale waterrekening is weliswaar redelijk vergelijkbaar met die van ons maar de Britse waterbedrijven houden bitter weinig over om fatsoenlijk te investeren. Mooie indicator: het tempo van vervanging van hun distributienet. Duurt dat hier al meer dan een eeuw, in het VK is dat onheilspellend veel langer. Dat belooft weinig goeds.
Engelse waterbedrijven zitten met torenhoge schulden en hoge dividend- of winstuitkeringen aan private aandeelhouders. Bovendien presteren ze beroerd: hoog lekverlies, beperkte zuivering, vaak overstort of lozing van ongezuiverd rioolwater, achterstallig onderhoud, te vaak geen water uit de kraan, ontevreden klanten. Bovendien, de bestuurders aan de andere kant van de Noordzee strijken met foute bonussen ook nog eens vijf of tien keer meer op dan hier. Debat over hoe het verder moet met deze bedrijven kon niet uitblijven.
In Nederland ligt het gelukkig anders. Hier gaan gemeenten en waterschappen over inzameling en zuivering van afvalwater maar drinkwaterbedrijven zijn in handen van provincies en gemeenten. Niet geprivatiseerd dus. Hoe is dat ontstaan? We beginnen bij het begin.
Willemspoort
Vanaf eind 1853 kon je als Amsterdams burger helder duinwater tappen bij de Willemspoort: een florijncent per emmer, contant betalen, maximaal twee emmers per persoon. Heren van stand en artsen zagen de waarde van betrouwbaar water voor welvaart en volksgezondheid. Dus kwamen er voorzieningen ook elders in ons land. Gemeenten en provincies financierden, daarmee werden ze aandeelhouders. En de rest is geschiedenis.
In de jaren negentig van de vorige eeuw vierde het liberalisme hoogtij. Ook in Nederland. Drinkwater, was dat niet iets om te privatiseren? Kon de markt dat niet veel beter organiseren? Als minister van Ontwikkelingssamenwerking zag Jan Pronk hoe het elders in de wereld dramatisch kan misgaan als je een basisvoorziening zoals drinkwater privatiseert: te vaak is het er niet, veel te duur, soms zelfs ongezond.
Rond de eeuwwisseling was hij minister van VROM (destijds was dat het drinkwaterministerie) en effectief in zijn verzet tegen privatisering van de waterbedrijven, ze bleven publiek. Kortom, we zijn schatplichtig aan hem. Met het tempo waarin zaken in de waterwereld veranderen, duurde het tot 2011 voordat in de Drinkwaterwet werd vastgelegd dat ‘de volledige zeggenschap over een drinkwaterbedrijf wordt uitgeoefend door publiekrechtelijke rechtspersonen’.In die wet staat ook dat eigenaren van drinkwaterbedrijven tarieven moeten hanteren die de kosten dekken en die transparant zijn. Logisch. Wel vreemd is dat de overheid zelf een kwart van de drinkwaterrekening afroomt met belastingen, heffingen, btw. Niet vreemd is dat de wet burgers beschermt tegen te hoge tarieven, ze kunnen immers niet hun leverancier kiezen.
Koude kermis
Ronduit raar is dat tariefregulering gebeurt door - heel ingewikkeld - de vermogenskosten te begrenzen die drinkwaterbedrijven mogen doorrekenen. Dat belemmert hen om voldoende te sparen, te lenen en dus te investeren voor noodzakelijke vervangingen en uitbreidingen. Misschien wél voor de korte termijn, niet voor de lange. De situatie in het VK leert ons wat er dan misgaat. Als je onvoldoende investeert in publieke voorzieningen, hol je op termijn de zaak uit en kom je van een koude kermis thuis.
Dividend is niet het belang van publieke aandeelhouders. Ze lopen nul risico. Hun hoofdbelang is betrouwbaar drinkwater voor al hun burgers en bedrijven, ook in de verre toekomst. Ze (de aandeelhouders) snappen dat ook, bijna alle zijn al uiterst terughoudend in het vragen om dividend. Hoe mooi zou het zijn als ze hiervan blijvend afzien? Dan blijft al het resultaat in de bedrijven en beschikbaar voor toekomstige investeringen.
Dertig jaar geleden besloten de drinkwaterbedrijven eigener beweging tot een reguliere benchmark van hun prestaties, ook die op het vlak van doelmatigheid en efficiëntie. Ze houden elkaar al scherp. Ze kunnen ook prima langetermijn investeringsplannen maken en (laten) ramen welke bestemmingsreserves voor de verre toekomst dus nodig zijn. Als dan toezichthouders en inspectie daar een klap op geven, dan kunnen aandeelhouders de tarieven vaststellen.
Dat doen ze nu ook al. Hoe eenvoudig kan het zijn. Overigens, we praten misschien wat veel over de prijs van drinkwater terwijl het debat moet gaan over de maatschappelijke schade als op een dag de levering niet meer zeker is of de kwaliteit onvoldoende.
Kom bij mij nu niet aan met ‘bestemmingsreserves moeten uit de winst worden opgebouwd en kunnen dus niet buiten de vermogenskostentoets blijven’. Als regels aantoonbaar onverstandig zijn, dan is het zaak die te veranderen. Ook de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur schrijft in het recente rapport ‘Zorg voor water’ dat die regels aan aanpassing toe zijn. Vincent Karremans presenteert volgend jaar een nationale drinkwaterstrategie.
Dat is hét moment om tariefregulering te versimpelen en drinkwaterbedrijven de noodzakelijke financiële ruimte te geven om in de toekomst voldoende te kunnen investeren. Dat is wat je mag verwachten van een minister van drinkwater. Ik doe hem een suggestie.
Jos Peters is hydroloog, wandelaar en natuurliefhebber